ADR Digitaal

Deel 6 - Hoofdstuk 6.3

VOORSCHRIFTEN VOOR DE CONSTRUCTIE EN DE BEPROEVING VAN VERPAKKINGEN VOOR INFECTUEUZE (BESMETTELIJKE) STOFFEN VAN CATEGORIE A VAN KLASSE 6.2

Opmerking: De in dit hoofdstuk vermelde voorschriften gelden niet voor verpakkingen die worden gebruikt voor het vervoer van stoffen van klasse 6.2 overeenkomstig verpakkingsinstructie P621 van 4.1.4.1.

 

6.3.1

Algemeen

6.3.1.1

De voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op verpakkingen bestemd voor het vervoer van infectueuze stoffen van categorie A

 

6.3.2

Voorschriften voor verpakkingen

6.3.2.1

De voorschriften voor verpakkingen in deze sectie zijn gebaseerd op verpakkingen gespecificeerd in 6.1.4, die tegenwoordig worden gebruikt.

Teneinde rekening te houden met de vooruitgang van wetenschap en techniek, bestaat er geen bezwaar tegen het gebruik van verpakkingen met specificaties die afwijken van die in dit hoofdstuk, onder voorwaarde dat zij even doelmatig, aanvaardbaar voor de bevoegde autoriteit zijn en in staat zijn om met goed gevolg de beproevingen beschreven in 6.3.5 te doorstaan.

Andere beproevingsmethoden dan die beschreven in het ADR zijn aanvaardbaar, onder voorwaarde dat zij gelijkwaardig zijn en erkend door de bevoegde autoriteit.

 

6.3.2.2

Verpakkingen moeten zijn vervaardigd en beproefd volgens een kwaliteitsborgingsprogramma dat voldoende is voor de bevoegde autoriteit teneinde te waarborgen dat elke verpakking voldoet aan de voorschriften van dit hoofdstuk.

Opmerking: ISO 16106:2006 “Verpakkingen - Transportverpakkingen voor gevaarlijke goederen - Gevaarlijke goederen verpakkingen, stortgoedhouders en grote verpakkingen - Richtlijnen voor de toepassing van ISO 9001” verschaft acceptabele adviezen voor de procedures die toegepast mogen worden.

 

6.3.2.3

Fabrikanten en navolgende distributeurs van verpakkingen moeten informatie verschaffen met betrekking tot de te volgen procedures alsmede een omschrijving leveren van de typen en afmetingen van de sluitingen (met inbegrip van vereiste pakkingen) en alle andere bestanddelen die nodig zijn om te waarborgen dat colli zoals die ten vervoer aangeboden worden, in staat zijn de van toepassing zijnde prestatiebeproevingen van dit hoofdstuk te doorstaan.

 

6.3.3

Code voor de aanduiding van de typen verpakkingen

6.3.3.1

De codes voor de aanduiding van de typen verpakkingen zijn opgesomd in 6.1.2.7

 

6.3.3.2

Op de verpakkingscode kan een letter "U" of "W" volgen. De letter "U" betekent een speciale verpakking overeenkomstig de voorschriften van 6.3.5.1.6.

De letter "W" betekent dat de verpakking, alhoewel deze van hetzelfde type is als aangeduid door de code, is vervaardigd volgens een specificatie afwijkend van die in 6.1.4 en die gelijkwaardig wordt beschouwd volgens de voorschriften van 6.3.2.1.

 

6.3.4

Kenmerk

Opmerking 1: De kenmerken geven aan dat de verpakking, waarop deze zijn aangebracht overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de beproevingen heeft doorstaan en dat deze voldoet aan de voorschriften van dit hoofdstuk die verband houden met de fabricage, maar niet met het gebruik van de verpakking.

Opmerking 2: De bedoeling van de kenmerken is hulp te bieden aan fabrikanten van verpakkingen, reconditioneerders, gebruikers en vervoerders van verpakkingen en regelgevende autoriteiten.

Opmerking 3: De kenmerken verschaffen niet altijd volledige gedetailleerde informatie over de beproevingsniveaus etc., en het kan nodig zijn ook hiermee rekening te houden, bv. door verwijzing naar een beproevingscertificaat, beproevingsrapporten of een register van verpakkingen die met succes beproefd zijn.

 

6.3.4.1

Elke verpakking, bestemd voor het gebruik volgens het ADR, moet zijn voorzien van kenmerken, die duurzaam en leesbaar zijn en die op een zodanige plaats en in een zodanige grootte in verhouding tot de verpakking zijn aangebracht, dat zij gemakkelijk zichtbaar zijn.

Bij colli met een bruto massa van meer dan 30 kg moeten de kenmerken of een kopie daarvan op de bovenzijde of op een zijkant van de verpakking zichtbaar zijn.

De letters, cijfers en tekens moeten een hoogte bezitten van ten minste 12 mm, behalve voor verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 30 liter resp. 30 kg, waarbij de hoogte ten minste 6 mm moet bedragen en behalve voor verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 5 liter resp. 5 kg, waarbij zij een geschikte grootte moeten bezitten.

 

6.3.4.2

Een verpakking die voldoet aan de voorschriften van deze sectie en van 6.3.5 mag, moet worden gemerkt met:

  1. het verpakkingssymbool van de Verenigde Naties 6.1.3.1 1

    Dit symbool mag voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan te verklaren dat een verpakking, een flexibele bulkcontainer, een transporttank of een MEGC voldoet aan de desbetreffende voorschriften van hoofdstuk 6.1, 6.2, 6.3, 6.5, 6.6, 6.7 of 6.11

  2. de code die het type verpakking volgens de voorschriften van 6.1.2 aangeeft;
  3. de tekst "KLASSE 6.2";
  4. de laatste twee cijfers van het jaar van fabricage van de verpakking;
  5. de Staat van toekenning van het kenmerk, aangeduid met het onderscheidingsteken gebruikt op motorvoertuigen in het internationale wegverkeer.
  6. de naam van de fabrikant of andere aanduiding van de verpakking zoals die wordt gespecificeerd door de bevoegde autoriteit;
  7. voor verpakkingen die voldoen aan de voorschriften van 6.3.5.1.6, de letter "U" onmiddellijk na de code vereist volgens b)

 

6.3.4.3

De kenmerken moeten worden aangebracht in de volgorde aangegeven in 6.3.4.2 a) t/m g); elk kenmerk voorgeschreven in deze subparagrafen moet duidelijk van de andere zijn gescheiden, bv. door een schuine streep of een spatie, zodat ze gemakkelijk identificeerbaar zijn.

Voor voorbeelden, zie 6.3.4.4.

Alle aanvullende kenmerken, die door de bevoegde autoriteit goedgekeurd moeten zijn, moeten het nog steeds mogelijk maken de in 6.3.4.1 voorgeschreven onderdelen van de kenmerken correct te identificeren.

 

6.3.4.4

Voorbeeld van kenmerk:

6.3.4.4 

zoals in 6.3.4.2 a), b), c) en d)
zoals in 6.3.4.2 e) en f)

 

6.3.5

Beproevingseisen voor verpakkingen

6.3.5.1

Uitvoering en frequentie van de beproevingen

6.3.5.1.1

Het ontwerptype van elke verpakking moet worden beproefd zoals bepaald in deze sectie, in overeenstemming met procedures vastgesteld door de bevoegde autoriteit, die toestaat dat het kenmerk wordt toegekend, en moet worden goedgekeurd door deze bevoegde autoriteit.

 

6.3.5.1.2

Alvorens een verpakking wordt gebruikt, moet het ontwerptype van deze verpakking met goed gevolg de beproevingen hebben ondergaan. Het ontwerptype van de verpakking wordt bepaald door het ontwerp, de grootte, het gebruikte materiaal en de dikte, de wijze van fabricage en assemblage, maar het kan ook diverse oppervlaktebehandelingen omvatten.

Het omvat ook verpakkingen die van het ontwerptype slechts afwijken door een lagere hoogte van het ontwerp.

 

6.3.5.1.3

De beproevingen moeten bij door de bevoegde autoriteit vastgestelde tussenpozen worden herhaald met monsters uit de productie.

 

6.3.5.1.4

De beproevingen moeten tevens worden herhaald na elke wijziging van het ontwerp, het materiaal of van de wijze van constructie van een verpakking

 

6.3.5.1.5

De bevoegde autoriteit kan akkoord gaan met de selectieve beproeving van verpakkingen die slechts op minder belangrijke punten verschillen van een reeds beproefd type: bijv. met kleinere afmetingen of een lagere netto massa van primaire houders; en verpakkingen zoals vaten, kisten en dozen waarvan één of meer van de buitenmaten iets verkleind zijn.

 

6.3.5.1.6

Primaire houders van alle typen mogen in een secundaire verpakking worden samengevoegd en vervoerd zonder dat deze aan beproevingen in een stijve buitenverpakking zijn onderworpen, onder de volgende voorwaarden:

  1. De stijve buitenverpakking moet met succes zijn beproefd volgens 6.3.5.2.2 met breekbare primaire houders (bijvoorbeeld van glas);
  2. De totale bruto massa van alle primaire houders mag niet hoger zijn dan de helft van de bruto massa van de primaire houders die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt;
  3. De dikte van het opvulmateriaal tussen de primaire houders onderling en tussen de primaire houders en de buitenzijde van de secundaire verpakking mag niet worden teruggebracht tot een waarde die lager is dan de overeenkomstige dikte van de oorspronkelijk beproefde verpakking; indien bij de oorspronkelijke beproeving gebruik is gemaakt van één primaire houder, mag de dikte van het opvulmateriaal tussen de primaire houders niet lager zijn dan de dikte van het opvulmateriaal tussen de buitenzijde van de secundaire verpakking en de primaire houder bij de oorspronkelijke beproeving. Indien gebruik gemaakt wordt van minder of kleinere primaire houders (in vergelijking tot de bij de valproef gebruikte primaire houders), moet voldoende extra opvulmateriaal worden toegevoegd om de lege ruimten op te vullen;
  4. De stijve buitenverpakking moet in ledige toestand de in 6.1.5.6 beschreven stapelproef hebben doorstaan. De totale massa van identieke colli moet gebaseerd zijn op de totale massa van de verpakkingen die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt;
  5. Voor primaire houders die vloeistoffen bevatten, moet een hoeveelheid absorberend materiaal aanwezig zijn die voldoende is om de volledige vloeibare inhoud van de primaire houders te absorberen;
  6. Indien de stijve buitenverpakking bestemd is voor primaire houders met vloeistoffen en niet vloeistofdicht is, of indien de stijve buitenverpakking bestemd is voor primaire houders met vaste stoffen en niet stofdicht is, moet een geschikt middel worden gebruikt om de vloeibare of vaste inhoud in geval van lekkage binnen te houden, zoals een dichte binnenbekleding, kunststof zak of een ander even werkzaam middel;
  7. De verpakkingen moeten niet alleen worden voorzien van de in 6.3.4.2 a) tot en met f) voorgeschreven merktekens, maar ook worden gemerkt overeenkomstig 6.3.4.2 g).

 

6.3.5.1.7

De bevoegde autoriteit kan te allen tijde eisen dat door beproevingen volgens deze sectie wordt bewezen, dat in serie vervaardigde verpakkingen voldoen aan de voorschriften voor de beproevingen van het ontwerptype.

 

6.3.5.1.8

Onder voorwaarde dat de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet wordt verminderd en met toestemming van de bevoegde autoriteit, mogen meerdere beproevingen worden uitgevoerd met één monster.

 

6.3.5.2

Voorbereiding van verpakkingen voor de beproeving

6.3.5.2.1

De monsters van elke verpakking moeten als voor verzending zijn gereedgemaakt, behalve dan dat een infectueuze vloeistof of infectueuze vaste stof moet zijn vervangen door water of, wanneer conditionering bij -18 ºC is voorgeschreven, door een mengsel van water en antivries.

Elke primaire houder moet tot ten minste 98% van zijn inhoud zijn gevuld.

Opmerking: De term water omvat ook een oplossing van antivries in water met een relatieve dichtheid van ten minste 0,95 voor beproevingen bij -18°C.

 

6.3.5.2.2

Vereiste beproevingen en aantal monsters

Type verpakking a Vereiste beproevingen
Stijve buitenverpakking Primaire houder Besproeiing met water Koude conditionering
6.3.5.3.6.2
Val 6.3.5.3 Aanvullende val 6.3.5.3.6.3 Doorstoot 6.3.5.4 Stapel 6.1.5.6
Kunststof Andere aantal monsters aantal monsters aantal monsters aantal monsters aantal monsters aantal monsters
Kartonnen doos X   5 5 10 Vereist op één monster indien de verpakking bestemd is om droogijs te bevatten 2 Vereist op drie monsters indien een verpakking met "U" in het kenmerk wordt beproefd, zoals gedefinieerd in 6.3.5.1.6
voor bijzondere bepalingen
  X 5 0 5 2
Kartonnen vat X   3 3 6 2
  X 3 0 3 2
Kunststof  kist of doos X   0 5 5 2
  X 0 5 5 2
Kunststof vat/ jerrycan X   0 3 3 2
  X 0 3 3 2
Kisten of dozen van andere materialen X   0 5 5 2
  X 0 0 5 2
Vaten/jerrycans van andere materialen X   0 3 3 2
  X 0 0 3 2

 a Met het "type verpakking" wordt onderscheid gemaakt in verpakkingen voor beproevingsdoeleinden overeenkomstig het soort verpakking en hun materiaaleigenschappen

Opmerking 1: In gevallen waarbij de primaire houder is vervaardigd van twee of meer materialen, bepaalt het materiaal dat het meest onderhevig is aan beschadiging de betreffende beproeving.

Opmerking 2: Het materiaal van de secundaire verpakkingen wordt niet in aanmerking genomen bij de keuze van de beproeving of de conditionering voor de beproeving.

Toelichting voor het gebruik van de tabel:
Indien de te beproeven verpakking bestaat uit een buitenste kartonnen doos met een primaire houder van kunststof, moeten vijf monsters de beproeving ondergaan van besproeiing met water (zie 6.3.5.3.6.1) vóór de valproef en vijf andere moeten worden geconditioneerd tot -18°C (zie 6.3.5.3.6.2) vóór de valproef.

Indien de verpakking bestemd is om droogijs te bevatten, dan moet nog een apart monster vijfmaal een valproef ondergaan overeenkomstig 6.3.5.3.6.3.

De voor verzending gereedgemaakte verpakkingen moeten worden onderworpen aan de beproevingen, aangegeven in 6.3.5.3 en 6.3.5.4.

Wat betreft buitenverpakkingen hebben de titels in de tabel betrekking op karton en soortgelijke materialen, waarvan het prestatievermogen snel door vocht kan worden beïnvloed; op kunststoffen, die bij lage temperatuur bros kunnen worden; en op andere materialen zoals metaal, waarvan het prestatievermogen niet door vocht of temperatuur wordt beïnvloed.

 

6.3.5.3

Valproef

6.3.5.3.1

De monsters moeten worden onderworpen aan een vrije-valproef van een hoogte van 9 m op een star, niet veerkrachtig, vlak en horizontaal oppervlak, in overeenstemming met 6.1.5.3.4.

 

6.3.5.3.2

Indien de monsters de vorm van een kist of doos hebben, dan moeten achtereenvolgens vijf monsters vallen in de volgende oriëntatierichtingen:

  1. één plat op de onderkant,
  2. één plat op de bovenkant,
  3. één plat op de lange zijkant,
  4. één plat op de korte zijkant,
  5. één op een hoek.

 

6.3.5.3.3

Indien de monsters de vorm hebben van een vat, dan moeten achtereenvolgens drie monsters vallen in de volgende oriëntatierichtingen:

  1. één diagonaal op de felsrand van de deksel, met het zwaartepunt recht boven het trefpunt,
  2. één diagonaal op de bodemfelsrand,
  3. één plat op de zijkant.

 

6.3.5.3.4

Hoewel het monster in de vereiste stand moet worden losgelaten, wordt aanvaard dat het kan gebeuren dat het treffen door aerodynamische oorzaken niet in die stand plaatsvindt.

 

6.3.5.3.5

Na de aangegeven serie valproeven mag vanuit de primaire houder(s), die door het opvulmateriaal/absorberende materiaal in de secundaire verpakking beschermd moet(en) blijven, geen lekkage optreden.

 

6.3.5.3.6

Bijzondere voorbereiding van het beproevingsmonster voor de valproef

6.3.5.3.6.1

Karton - Beproeving door besproeiing met water

Kartonnen buitenverpakkingen:
Het monster moet gedurende ten minste één uur worden onderworpen aan een besproeiing met water, die de blootstelling aan een hoeveelheid regen van ongeveer 5 cm per uur nabootst.

Vervolgens moeten het worden onderworpen aan de beproevingen, beschreven onder a).

 

6.3.5.3.6.2

Kunststof materiaal - Koude conditionering

Primaire houders of buitenverpakkingen van kunststof:
De temperatuur van het monster en de inhoud daarvan moet zijn teruggebracht tot -18 ºC of lager gedurende 24 uur; het monster moet binnen 15 minuten nadat het uit deze atmosfeer is verwijderd, aan de in 6.3.5.3.1 beschreven beproeving worden onderworpen.

Indien het monster droogijs bevat, mag de duur van de conditionering worden teruggebracht tot 4 uur.

 

6.3.5.3.6.3

Verpakkingen bestemd om droogijs te bevatten - Aanvullende valproef

Indien het de bedoeling is dat de verpakking droogijs bevat moet in aanvulling op de beproeving omschreven in 6.3.5.3.1 en eventueel in 6.3.5.3.6.1 of 6.3.5.3.6.2 een beproeving worden uitgevoerd.

Eén monster moet zodanig worden opgeslagen dat het droogijs volledig ontwijkt en dat monster moet vervolgens aan een valproef worden onderworpen in één van de oriëntatierichtingen beschreven in 6.3.5.3.2 en wel die welke het meest waarschijnlijk zal leiden tot het bezwijken van de verpakking.

 

6.3.5.4

Doorstootproef

6.3.5.4.1

Verpakkingen met een bruto massa van ten hoogste 7 kg

De monsters moeten op een vlak en hard oppervlak geplaatst worden.

Een cilindrische stalen staaf met een massa van ten minste 7 kg en een doorsnede van 38 mm, waarvan het stooteinde is afgerond met een straal van ten hoogste 6 mm (zie Figuur 6.3.5.4.2), moet van een hoogte van 1m, gemeten van het stooteinde tot het oppervlak waar het monster geraakt wordt, met een vrije val verticaal op het monster vallen.

Eén monster moet op zijn grondvlak worden geplaatst.

Een tweede monster moet in een stand loodrecht op die van het eerste monster worden geplaatst.

In beide gevallen moet men de stalen staaf zodanig laten vallen, dat deze gericht is op de primaire houder.

Penetratie van de secundaire verpakking is bij iedere stoot toelaatbaar onder voorwaarde dat vanuit de primaire houder(s) geen lekkage plaatsvindt.

 

6.3.5.4.2

Verpakkingen met een bruto massa van meer dan 7 kg

De monsters moeten op het uiteinde van een cilindrische stalen staaf vallen. De staaf moet verticaal op een vlak en hard oppervlak zijn opgesteld.

De staaf moet een doorsnede van 38 mm bezitten, en het bovenuiteinde moet zijn afgerond met een straal van ten hoogste 6 mm (zie Figuur 6.3.5.4.2).

De staaf moet boven het oppervlak uitsteken over een afstand die tenminste zo groot is als de afstand die het middelpunt van de primaire houder(s) scheidt van het buitenoppervlak van de buitenverpakking, echter ten minste 200 mm.

Men moet één monster met de bovenzijde naar beneden gericht vrij en verticaal laten vallen van een hoogte van 1m gemeten vanaf de top van de stalen staaf.

Men moet een tweede monster laten vallen vanaf dezelfde hoogte in een stand loodrecht op de stand die voor het eerste monster werd gebruikt.

In beide gevallen moet men de verpakking zodanig oriënteren dat de stalen staaf de primaire houder(s) mogelijk zou kunnen binnendringen.

Na iedere stoot is het acceptabel dat de secundaire verpakking wordt doorgestoten onder voorwaarde dat geen lekkage uit de primaire houder(s) plaatsvindt.

 6.3.5.4.2 final

 

6.3.5.5

Beproevingsrapport

6.3.5.5.1

Van de beproeving moet een schriftelijk beproevingsrapport gemaakt worden, dat ten minste de volgende gegevens moet bevatten en dat aan de gebruikers van de verpakking ter beschikking moet staan:

  1. Naam en adres van de beproevingsinstantie;
  2. Naam en adres van de opdrachtgever (indien nodig);
  3. Uniek identificatienummer van het beproevingsrapport
  4. Datum van de beproeving en van het rapport;
  5. Fabrikant van de verpakking;
  6. Beschrijving van het ontwerptype van de verpakking (bijv. afmetingen, materialen, sluitingen, wanddikte, enz.), met inbegrip van de fabricagemethode (bijv. blaasextrusie) en eventueel met tekening(en) en/of foto(‘s);
  7. Grootste inhoud;
  8. Inhoud van de beproeving;
  9. Beschrijving en resultaten van de beproevingen;
  10. Het beproevingsrapport moet zijn ondertekend met de naam en de functionele benaming van de ondertekenaar.

 

6.3.5.5.2

Het beproevingsrapport moet verklaringen bevatten dat de verpakking, gereed voor het vervoer, is beproefd overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk die van toepassing zijn, en dat het gebruik van andere verpakkingsmethoden of bestanddelen van de verpakking dit rapport ongeldig kan maken.

Een exemplaar van het beproevingsrapport moet beschikbaar zijn voor de bevoegde autoriteit.

 

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief