ADR Digitaal

Deel 6 - Hoofdstuk 6.1

VOORSCHRIFTEN VOOR DE CONSTRUCTIE EN BEPROEVING VAN VERPAKKINGEN, IBC'S, GROTE VERPAKKINGEN EN TANKS

 

6.1.1

Algemeen

6.1.1.1

De voorschriften van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

  1. colli met radioactieve stoffen van klasse 7, tenzij anders is voorgeschreven (zie 4.1.9) ;
  2. colli met infectueuze stoffen van klasse 6.2, tenzij anders is voorgeschreven (zie Opmerking onder de titel van hoofdstuk 6.3 en verpakkingsinstructie P621 van 4.1.4.1);
  3. drukhouders met gassen van klasse 2;
  4. colli met een netto massa van meer dan 400 kg;
  5. verpakkingen voor vloeistoffen anders dan samengestelde verpakkingen met een inhoud van meer dan 450 liter.

 

6.1.1.2

De voorschriften voor verpakkingen in 6.1.4 zijn gebaseerd op de tegenwoordig gebruikte verpakkingen.

Teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang is het gebruik van verpakkingen waarvan de specificaties van de in 6.1.4 genoemde afwijken, toegestaan, onder voorwaarde dat zij even deugdelijk zijn, aanvaardbaar voor de bevoegde autoriteit en dat zij de beproevingen omschreven in 6.1.1.3 en 6.1.5 met goed gevolg kunnen doorstaan.

Andere methoden dan die in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, zijn acceptabel, onder voorwaarde dat zij gelijkwaardig en door de bevoegde autoriteit erkend zijn.

 

6.1.1.3

Elke voor vloeistoffen bestemde verpakking moet voldoen aan een geschikte dichtheidsproef. Deze proef maakt deel uit van een kwaliteitsborgingsprogramma overeenkomstig het bepaalde in 6.1.1.4 dat laat zien dat kan worden voldaan aan het passende in 6.1.5.4.3 aangegeven beproevingsniveau. Elke afzonderlijke verpakking, bestemd voor vloeistoffen, moet voldoen aan deze dichtheidsproef:

  1. alvorens deze de eerste maal voor het vervoer wordt gebruikt,
  2. na ombouw of reconditionering, voordat deze opnieuw voor het vervoer wordt gebruikt.
    Voor deze beproeving is het niet nodig dat de verpakkingen met hun eigen sluitingen zijn uitgerust.

De binnenhouder van een combinatieverpakking mag zonder buitenverpakking worden beproefd, tenzij de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten hierdoor worden verminderd.
Deze beproeving is echter niet vereist voor:

  • binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen;
  • binnenhouders van combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) (ii);
  • lichte metalen verpakkingen, gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii).

 

6.1.1.4

Teneinde te garanderen dat elke verpakking voldoet aan de voorschriften van dit hoofdstuk, moeten de verpakkingen zijn vervaardigd gereconditioneerd en beproefd volgens een kwaliteitsborgings-programma, dat de instemming heeft van de bevoegde autoriteit.

Opmerking: ISO 16106:2006 “Verpakkingen - Transportverpakkingen voor gevaarlijke goederen - Gevaarlijke goederen verpakkingen, stortgoedhouders en grote verpakkingen - Richtlijnen voor de toepassing van ISO 9001” verschaft acceptabele adviezen voor de procedures die toegepast mogen worden.

 

6.1.1.5

Fabrikanten en navolgende distributeurs van verpakkingen moeten informatie verschaffen met betrekking tot de te volgen procedures alsmede een omschrijving leveren van de typen en afmetingen van de sluitingen (met inbegrip van vereiste pakkingen) en alle andere bestanddelen die nodig zijn om te waarborgen dat colli zoals die ten vervoer aangeboden worden, in staat zijn de van toepassing zijnde prestatiebeproevingen van dit hoofdstuk te doorstaan.

 

6.1.2

Code voor de aanduiding van typen van verpakkingen

6.1.2.1

De code bestaat uit:

  1. een Arabisch cijfer, dat het soort verpakking aangeeft, bijv. vat, jerrycan, etc., gevolgd door
  2. één of meer Latijnse hoofdletters, die de materiaalsoort aangeven, bijv. staal, hout, etc., zo nodig gevolgd door
  3. een Arabisch cijfer, dat een categorie aangeeft binnen het soort verpakking waartoe die verpakking behoort.

 

6.1.2.2

Bij combinatieverpakkingen moeten achtereenvolgend twee Latijnse hoofdletters worden gebruikt op de tweede positie van de code.

De eerste geeft het materiaal van de binnenhouder aan, en de tweede het materiaal van de buitenverpakking.

 

6.1.2.3

Bij samengestelde verpakkingen moet alleen het codenummer voor de buitenverpakking worden gebruikt.

 

6.1.2.4

De code van de verpakking kan worden gevolgd door de letter "T", "V" of "W". De letter "T" geeft een bergingsverpakking aan volgens 6.1.5.1.11.

De letter "V" geeft een speciale verpakking aan volgens 6.1.5.1.7.

De letter "W" geeft aan dat de verpakking, hoewel behorend tot hetzelfde soort als aangegeven door de code, gefabriceerd is volgens een specificatie, die afwijkt van het gestelde in 6.1.4, maar die als gelijkwaardig wordt beschouwd in de zin van de voorschriften van 6.1.1.2.

 

6.1.2.5

De volgende cijfers geven het soort verpakking aan:

  • 1 vat
  • 2 (gereserveerd)
  • 3 jerrycan
  • 4 kist of doos
  • 5 zak
  • 6 combinatieverpakking
  • 7 (gereserveerd)
  • 0 lichte metalen verpakking

 

6.1.2.6

De volgende hoofdletters geven het materiaal aan:

  • A staal (omvat alle soorten en alle oppervlaktebehandelingen)
  • B aluminium
  • C natuurlijk hout
  • D gelamineerd hout
  • F houtvezelmateriaal
  • G karton
  • H kunststof
  • L textiel
  • M papier, met meer dan één laag
  • N metaal (anders dan staal of aluminium)
  • P glas, porselein of aardewerk.

Opmerking: De term "kunststof" omvat ook andere polymere materialen, zoals rubber.

 

6.1.2.7

In de volgende tabel zijn de codes aangegeven, te gebruiken voor de aanduiding van de typen verpakkingen in relatie tot het soort verpakking, het voor de fabricage gebruikte materiaal en de categorie.

Er wordt ook naar paragrafen verwezen, te raadplegen voor de betreffende voorschriften:

SOORT MATERIAAL CATEGORIE CODE  SUBSECTIE  
1. Vaten A. Staal met niet-afneembaar deksel 1A1 6.1.4.1
met afneembaar deksel 1A2
B. Aluminium met niet-afneembaar deksel 1B1 6.1.4.2
met afneembaar deksel 1B2
D. Gelamineerd hout   1D 6.1.4.5
G. Karton   1G 6.1.4.7
H. Kunststof met niet-afneembaar deksel 1H1 6.1.4.8
met afneembaar deksel 1H2
N. Metaal, anders dan staal of aluminium met niet-afneembaar deksel met afneembaar deksel N1 N2 6.1.4.3
2. (gereserveerd)
3. Jerrycans A. Staal met niet-afneembaar deksel 3A1 6.1.4.4
met afneembaar deksel 3A2
B. Aluminium met niet-afneembaar deksel 3B1 6.1.4.4
met afneembaar deksel 3B2
H. Kunststof met niet-afneembaar deksel 3H1 6.1.4.8
met afneembaar deksel 3H2
4. Kisten of dozen A. Staal   4A 6.1.4.14
B. Aluminium   4B 6.1.4.14
C. Natuurlijk hout gewone 4C1 6.1.4.9
met stofdichte wanden 4C2  
D. Gelamineerd hout   4D 6.1.4.10
F. Houtvezelmateriaal   4F 6.1.4.11
G. Karton   4G 6.1.4.12
H. Kunststof geëxpandeerde 4H1 6.1.4.13
stijve 4H2
N. Metaal, met uitzondering van staal of aluminium   4N 6.1.4.14
5. Zakken H. Kunststof weefsel zonder binnenzak of binnenbekleding 5H1 6.1.4.16
stofdicht 5H2
waterbestendig 5H3
H. Kunststof folie   5H4 6.1.4.17
L. Textiel zonder binnenzak of binnenbekleding 5L1 6.1.4.15
stofdicht 5L2
waterbestendig 5L3
M. Papier met meer dan een laag 5M1 6.1.4.18
met meer dan een laag, waterbestendig 5M2
6. Combinatie verpakkingen H. Kunststofhouder met als buiten verpakking: een stalen vat 6HA1 6.1.4.19
een stalen korf of kist 6HA2 6.1.4.19
een aluminium vat 6HB1 6.1.4.19
een aluminium korf of kist 6HB2 6.1.4.19
een houten kist 6HC 6.1.4.19
een vat van gelamineerd hout 6HD1 6.1.4.19
een kist van gelamineerd hout 6HD2 6.1.4.19
een kartonnen vat 6HG1 6.1.4.19
een kartonnen doos 6HG2 6.1.4.19
een vat van kunststof 6HH1 6.1.4.19
een doos van stijve kunststof 6HH2 6.1.4.19
P. Houder van glas, porselein of aardewerk, met als buiten verpakking: een stalen vat 6PA1 6.1.4.20
een stalen korf of kist 6PA2 6.1.4.20
een aluminium vat 6PB1 6.1.4.20
een aluminium korf of kist 6PB2 6.1.4.20
een houten kist 6PC 6.1.4.20
een vat van gelamineerd hout 6PD1 6.1.4.20
een tenen mand 6PD2 6.1.4.20
een kartonnen vat 6PG1 6.1.4.20
een kartonnen doos 6PG2 6.1.4.20
een verpakking van geëxpandeerde kunststof 6PH1 6.1.4.20
een verpakking van stijve kunststof 6PH2 6.1.4.20
7. Gereserveerd
0. Lichte metalen verpakkingen A. Staal met niet-afneembaar deksel 0A1 6.1.4.22
met afneembaar deksel 0A2

 

6.1.3

Kenmerk

Opmerking 1: De kenmerken op de verpakking geven aan, dat deze overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de beproevingen heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met de voorschriften van dit hoofdstuk, voor zover deze betrekking hebben op de fabricage, maar niet op het gebruik van de verpakking. De kenmerken op zich betekenen derhalve niet dat de verpakking voor een bepaalde stof mag worden gebruikt: in het algemeen worden het soort verpakking (bijv. stalen vat), de grootste inhoud en/of massa ervan en de eventuele bijzondere voorschriften voor elke stof vastgesteld in tabel A van hoofdstuk 3.2.

Opmerking 2: De kenmerken zijn bedoeld om de taak van de verpakkingsfabrikanten, de reconditioneerders, de gebruikers van de verpakking, de vervoerders en van de regelgevende autoriteiten te vergemakkelijken. Wat betreft het gebruik van een nieuwe verpakking, zijn de originele kenmerken een hulpmiddel voor de fabrikant(en), om het type vast te stellen en om aan te geven aan welke beproevingsvoorschriften deze voldoet.

Opmerking 3: De kenmerken verschaffen niet altijd volledige gedetailleerde informatie over beproevingsniveaus, etc.; het kan nodig zijn ook hiermee rekening te houden, bijvoorbeeld door verwijzing naar een beproevingscertificaat, beproevingsrapporten of een register van verpakkingen die met succes beproefd zijn. Bijvoorbeeld een verpakking die gekenmerkt is met een X of Y mag worden gebruikt voor stoffen, ingedeeld in een verpakkingsgroep met een lagere gevaarlijkheidsgraad, waarbij de bijbehorende hoogste toegestane waarde van de relatieve dichtheid1 wordt vastgesteld door de betreffende factor 1,5 of 2,25 in aanmerking te nemen, aangegeven in de voorschriften voor de beproeving van verpakkingen in 6.1.5; dat wil zeggen dat verpakkingen van verpakkingsgroep I, die voor stoffen met een relatieve dichtheid van 1,2 zijn beproefd, mogen worden gebruikt als verpakking van verpakkingsgroep II voor stoffen met een relatieve dichtheid van 1,8 of als verpakking van verpakkingsgroep III voor stoffen met een relatieve dichtheid van 2,7, vanzelfsprekend aangenomen dat de verpakking met de stof met de hogere dichtheid nog kan voldoen aan de criteria van de prestatie eisen.

 

6.1.3.1

Elke verpakking, bestemd voor het gebruik volgens het ADR, moet zijn voorzien van kenmerken, die duurzaam en leesbaar zijn en die op een zodanige plaats en in een zodanige grootte in verhouding tot de verpakking zijn aangebracht, dat zij gemakkelijk zichtbaar zijn. Bij colli met een bruto massa van meer dan 30 kg moeten de kenmerken of een kopie daarvan op de bovenzijde of op een zijkant van de verpakking zichtbaar zijn. De letters, cijfers en tekens moeten een hoogte bezitten van ten minste 12 mm, behalve voor verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 30 liter resp. 30 kg, waarbij de hoogte ten minste 6 mm moet bedragen en behalve voor verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 5 liter resp. 5 kg, waarbij zij een geschikte grootte moeten bezitten.

De kenmerken bestaan uit:

    1. Het symbool van de Verenigde Naties voor verpakkingen. 6.1.3.1 1

      Dit symbool mag voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan te verklaren dat een verpakking, een flexibele bulkcontainer, een transporttank of een MEGC voldoet aan de desbetreffende voorschriften van hoofdstuk 6.1, 6.2, 6.3, 6.5, 6.6, 6.7 of 6.11. Dit symbool mag niet worden gebruikt voor verpakkingen die voldoen aan de vereenvoudigde voorwaarden van 6.1.1.3, 6.1.5.3.1 e), 6.1.5.3.5 c), 6.1.5.4, 6.1.5.5.1 en 6.1.5.6 [zie ook ii) hieronder]. Op metalen verpakkingen waarop het kenmerk door inpersen wordt aangebracht, mogen in plaats van het symbool de hoofdletters "UN" worden aangebracht;

      of

    2. Het symbool "RID/ADR" voor combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) en lichte metalen verpakkingen, die voldoen aan vereenvoudigde voorwaarden (zie 6.1.1.3, 6.1.5.3.1 e), 6.1.5.3.5 c), 6.1.5.4, 6.1.5.5.1 en 6.1.5.6).
      Opmerking: Verpakkingen die van dit symbool zijn voorzien, zijn goedgekeurd voor het vervoer over de spoorweg, de weg en de binnenwateren, dat onderworpen is aan de bepalingen van respectievelijk RID, ADR en ADN. Zij zijn niet noodzakelijkerwijs aanvaard voor vervoer met andere vervoersmodaliteiten of voor vervoer over de weg, de spoorweg of de binnenwateren, dat onderworpen is aan andere voorschriften.

  1. de code die het type van verpakking aangeeft volgens 6.1.2;

  2. een code, samengesteld uit twee delen:
    1. een letter die de verpakkingsgroep(en) aangeeft, waarvoor het ontwerptype met goed gevolg is beproefd:

      X voor verpakkingsgroepen I, II en III
      Y voor verpakkingsgroepen II en III
      Z alleen voor verpakkingsgroep III;

    2. voor verpakkingen zonder binnenverpakkingen, bestemd voor vloeistoffen, de aanduiding van de relatieve dichtheid, afgerond op de eerste decimaal, van de stof waarmee het ontwerptype is beproefd; deze aanduiding kan worden weggelaten indien de relatieve dichtheid niet hoger is dan 1,2. Voor verpakkingen, bestemd voor vaste stoffen of voor binnenverpakkingen, de aanduiding van de hoogste bruto massa in kg;
      Voor lichte metalen verpakkingen, gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii), bestemd voor vloeistoffen waarvan de viscositeit bij 23 oC meer bedraagt dan 200 mm2/s, de aanduiding van de hoogste bruto massa in kg;

  3. ofwel een letter “S” wanneer de verpakking bestemd is voor vaste stoffen of voor binnenverpakkingen, dan wel, indien de verpakking (met uitzondering van samengestelde verpakkingen) bestemd is voor vloeistoffen en een hydraulische proefpersing heeft doorstaan, de aanduiding van de beproevingsdruk in kPa, naar beneden afgerond op 10 kPa; Voor lichte metalen verpakkingen, gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii), bestemd voor vloeistoffen waarvan de viscositeit bij 23 oC meer bedraagt dan 200 mm2/s, de letter “S”;

  4. de laatste twee cijfers van het jaar van fabricage van de verpakking. Bij verpakkingen van de typen 1H en 3H bovendien uit de maand van fabricage; dit gedeelte van het kenmerk kan ook op een andere plaats dan de overige aanduidingen van het kenmerk worden aangebracht.
    Een geschikte wijze hiervoor is:

6.1.3.1 2

* De laatste twee cijfers van het jaar van fabricage mogen op deze plek worden aangegeven. In dat geval moeten de twee cijfers voor het jaar in de kenmerken van de typegoedkeuring en in de binnenste cirkel van de klok identiek zijn. 


Opmerking: Andere methoden waarmee de minimaal vereiste informatie op duurzame, zichtbare en leesbare wijze wordt weergegeven zijn eveneens aanvaardbaar.

  1. de Staat van toekenning van het kenmerk, aangeduid met het onderscheidingsteken gebruikt op motorvoertuigen in het internationale wegverkeer *3
  2. de naam van de fabrikant of een ander identificatiemerk van de verpakking, vastgesteld door de bevoegde autoriteit.

*3 Het onderscheidingsteken van de staat van inschrijving gebruikt op motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale wegverkeer, bijv. overeenkomstig het Verdrag van Genève inzake het wegverkeer (1949) of het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer (1968)

 

6.1.3.2

In aanvulling op de in 6.1.3.1 voorgeschreven duurzame kenmerken, moeten nieuwe metalen vaten met een inhoud van meer dan 100 liter op de bodem op permanente wijze (bijv. door inpersen) zijn voorzien van de in 6.1.3.1 a) t/m e) aangegeven kenmerken, tezamen met de aanduiding van de nominale dikte van tenminste het metaal van de romp (in mm, ± 0,1 mm).

Indien de nominale wanddikte van ten minste één van de twee bodems van een metalen vat geringer is dan die van de romp, dan moet de nominale wanddikte van de bovenzijde, de romp en de onderzijde op permanente wijze (bijv. door inpersen) op de bodem zijn aangegeven, bijv."1,0-1,2-1,0" of "0,9-1,0-1,0". De nominale wanddikte van het metaal moet worden bepaald volgens de overeenkomstige ISO-norm, bijv. ISO 3574:1999 in geval van staal. De kenmerken, aangegeven in 6.1.3.1 f) en g), mogen niet op permanente wijze worden aangebracht, tenzij in 6.1.3.5 anders is aangegeven.

 

6.1.3.3

Met uitzondering van verpakkingen waarnaar in 6.1.3.2 verwezen wordt, moet elke verpakking die mogelijk aan een reconditioneringsproces wordt onderworpen, op permanente wijze voorzien zijn van de in 6.1.3.1 a) t/m e) aangegeven kenmerken. Kenmerken zijn permanent indien zij in staat zijn het reconditioneringsproces te doorstaan (bijv. door inpersen).

Voor verpakkingen met uitzondering van metalen vaten met een inhoud groter dan 100 liter, mogen deze permanente kenmerken in de plaats komen van de overeenkomstige in 6.1.3.1 voorgeschreven duurzame kenmerken.

 

6.1.3.4

Bij omgebouwde vaten hoeven de voorgeschreven kenmerken niet op permanente wijze te zijn aangebracht, indien het type verpakking niet wijzigt en indien geen vast bevestigde onderdelen van de constructie worden verwisseld of verwijderd.

Alle andere omgebouwde metalen vaten moeten op de bovenzijde of op de romp op permanente wijze (bijv. door inpersen) zijn voorzien van de kenmerken, bedoeld in 6.1.3.1 a) t/m e).

 

6.1.3.5

Metalen vaten van materialen (zoals roestvast staal) die ontworpen zijn voor meermalig hergebruik, mogen op permanente wijze (bijv. door inpersen) van de kenmerken, aangegeven in 6.1.3.1 f) en g), zijn voorzien.

 

6.1.3.6

De kenmerken volgens 6.1.3.1 gelden slechts voor één ontwerptype of voor een serie van ontwerptypen. Verschillende oppervlaktebehandelingen vallen onder hetzelfde ontwerptype.

Onder een “serie van ontwerptypen” dient te worden verstaan verpakkingen van dezelfde constructie, gelijke wanddikte, hetzelfde materiaal en dezelfde doorsnede, die slechts door hun geringere hoogte verschillen van het goedgekeurde ontwerptype.

Het moet mogelijk zijn vast te stellen dat de sluitingen van de houders dezelfde zijn als genoemd in het beproevingsrapport.

 

6.1.3.7

De kenmerken moeten worden aangebracht in de volgorde van de subparagrafen in 6.1.3.1; elk van de in deze subparagrafen en indien van toepassing subparagrafen h) t/m j) van 6.1.3.8 vereist kenmerk moet duidelijk gescheiden worden, bijv. door een schuine streep of spatie, opdat ze gemakkelijk herkenbaar zijn.

Voor voorbeelden zie 6.1.3.11.

Alle door een bevoegde autoriteit toegestane aanvullende merktekens mogen geen afbreuk doen aan een correcte identificatie van de in 6.1.3.1 voorgeschreven overige kenmerken.

 

6.1.3.8

De reconditioneerder moet na de reconditionering van een verpakking de volgende duurzame kenmerken in volgorde erop aanbrengen:

  1. de Staat, waar de reconditionering is uitgevoerd, aangeduid met het onderscheidingsteken gebruikt op motorvoertuigen in het internationale wegverkeer* ;
  2. de naam van de hersteller of andere identificatie van de verpakking zoals die door de bevoegde autoriteit gespecificeerd wordt;
  3. het jaar van de reconditionering, de letter “R” en, bij elke verpakking die een dichtheidsproef volgens 6.1.1.3 heeft doorstaan, bovendien de letter “L”.

* Het onderscheidingsteken van de staat van inschrijving gebruikt op motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale wegverkeer, bijv. overeenkomstig het Verdrag van Genève inzake het wegverkeer (1949) of het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer (1968).

 

6.1.3.9

Indien na reconditionering de kenmerken, voorgeschreven in 6.1.3.1 a) t /m d), niet meer zichtbaar zijn op de bovenzijde of de romp van een metalen vat, dan moet de reconditioneerder deze op duurzame wijze aanbrengen, gevolgd door de kenmerken, voorgeschreven in 6.1.3.8 h), i) en j).

Deze kenmerken mogen geen hoger prestatieniveau aangeven dan dat, waarvoor het originele ontwerptype is beproefd en gekenmerkt.

 

6.1.3.10

Verpakkingen die vervaardigd zijn van gerecycleerde kunststof, zoals gedefinieerd in 1.2.1, moeten zijn voorzien van het kenmerk "REC".

Dit kenmerk moet in de nabijheid van de in 6.1.3.1 voorgeschreven kenmerking zijn aangebracht.

 

6.1.3.11

Voorbeelden van kenmerken voor NIEUWE verpakkingen

 6.1.3.11 1

 

 

volgens 6.1.3.1 a) i), b),c),d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

voor een nieuwe kartonnen doos

6.1.3.11 2

volgens 6.1.3.1 a) i),b),c),d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

voor een nieuw stalen vat, voor vloeistoffen

6.1.3.11 3

 

 

volgens 6.1.3.1 a) i), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

voor een nieuw stalen vat, voor vaste stoffen of binnenverpakkingen

6.1.3.11 4

 

 

volgens 6.1.3.1 a) i), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

voor een nieuwe kunststof doos met gelijkwaardige specificatie

6.1.3.11 5

 

 

volgens 6.1.3.1 a) i), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

voor een omgebouwd stalen vat, voor vloeistoffen

6.1.3.11 6

 

 

volgens 6.1.3.1 a) ii), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

voor een nieuwe lichte metalen verpakking, met niet-afneembaar deksel

6.1.3.11 7

 

 

volgens 6.1.3.1 a) ii), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

voor een nieuwe lichte metalen verpakking met afneembaar deksel, bestemd voor vaste stoffen, of voor vloeistoffen waarvan de viscositeit bij 23 oC meer dan 200 mm2/s bedraagt

 

 

6.1.3.12

Voorbeelden van kenmerken voor GERECONDITIONEERDE verpakkingen

 6.1.3.12 1

 

volgens 6.1.3.1 a) i), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.8 h), i) en j)

6.1.3.12 2

 

 

volgens 6.1.3.1 a) i), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.8 h), i) en j)

 

 

6.1.3.13

Voorbeeld van kenmerk voor BERGINGS verpakking

 6.1.3.13

 

volgens 6.1.3.1 a) i), b), c), d) en e)
volgens 6.1.3.1 f) en g)

 

Opmerking: De kenmerken, waarvan voorbeelden zijn gegeven in 6.1.3.11, 6.1.3.12 en 6.1.3.13, mogen in één regel of in meer dan één regel worden aangebracht, onder voorwaarde dat de juiste volgorde wordt aangehouden.

 

6.1.3.14

Verklaring
Met het aanbrengen van de kenmerken volgens 6.1.3.1 wordt bevestigd dat de in serie vervaardigde verpakkingen overeenkomen met het goedgekeurde ontwerptype en dat aan de voorwaarden, genoemd in de goedkeuring, is voldaan.

 

6.1.4

Eisen aan verpakkingen

6.1.4.0

Algemene voorschriften
Elke vorm van permeatie van de stof die zich in de verpakking bevindt mag niet leiden tot gevaren onder normale vervoersomstandigheden.

 

6.1.4.1

Stalen vaten
1A1 met niet-afneembaar deksel;
1A2 met afneembaar deksel.

 

6.1.4.1.1

De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van een geschikte soort plaatstaal; de dikte van de plaat moet verband houden met de inhoud van het vat en met het gebruik waarvoor het bestemd is.

Opmerking: In het geval van vaten van koolstofstaal, worden "geschikte" staalsoorten aangegeven in ISO 3573:1999 "Warmgewalste koolstofstaalplaat van commerciële tekenkwaliteit" en ISO 3574:1999 "Koudgewalste koolstofstaalplaat van commerciële tekenkwaliteit".

Voor vaten van koolstofstaal kleiner dan 100 liter worden "geschikte" staalsoorten naast die in de hierboven genoemde normen ook aangegeven in ISO 11949:1995 "Koudgewalst elektrolytisch vertind blik", ISO 11950:1995 "Koudgewalst blik met een elektrolytisch aangebrachte chroom / chroomoxidelaag" en ISO 11951:1995 "Koudgewalst onvertind blik op rol voor de vervaardiging van vertind blik of elektrolytisch met chroom / chroomoxide bekleed staal.

 

6.1.4.1.2

De rompnaden moeten zijn gelast bij vaten, bestemd voor meer dan 40 liter vloeistof. De rompnaden moeten machinaal zijn gefelst of gelast bij vaten, bestemd voor vaste stoffen of voor niet meer dan 40 liter vloeistof.

 

6.1.4.1.3

De naden tussen bodems en randen moeten machinaal gefelst of gelast zijn. Afzonderlijke versterkingsringen mogen worden gebruikt.

 

6.1.4.1.4

De romp van vaten met een inhoud van meer dan 60 liter moeten in het algemeen voorzien zijn van ten minste twee uitgeperste rolbanden of van ten minste twee afzonderlijke rolbanden.

Indien afzonderlijke rolbanden aanwezig zijn, dan moeten deze nauw aansluiten aan de romp en op zodanige wijze zijn bevestigd, dat zij zich niet kunnen verplaatsen.

De rolbanden mogen niet door puntlassen zijn bevestigd.

 

6.1.4.1.5

De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of in de bodems van vaten met een niet-afneembaar deksel (1A1) mag niet groter zijn dan 7 cm.

Vaten met grotere openingen worden geacht te behoren tot het type met afneembaar deksel (1A2).

De sluitingen voor mantel- en bodemopeningen van vaten moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten en dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

Flenzen voor sluitingen mogen bevestigd worden door machinaal felsen of lassen.

Sluitingen moeten zijn voorzien van dichtingsringen of andere afdichtingsmiddelen, tenzij de sluitingen inherent dicht zijn.

 

6.1.4.1.6

De sluitingsinrichtingen van vaten met een afneembaar deksel (1A2) moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de vaten dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

De afneembare deksels moeten zijn voorzien van dichtingsringen of van andere afdichtingsmiddelen.

 

6.1.4.1.7

Indien de materialen, gebruikt voor de romp, bodems, sluitingen en uitrustingsdelen, niet verenigbaar zijn met de te vervoeren stof, moeten geschikte beschermende binnenbekledingen of oppervlaktebehandelingen worden toegepast.

Deze binnenbekledingen of oppervlaktebehandelingen moeten hun beschermende eigenschappen behouden onder normale vervoersomstandigheden.

 

6.1.4.1.8

Grootste inhoud van de vaten: 450 liter.

 

6.1.4.1.9

Hoogste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.2

Aluminium vaten
1B1 met niet-afneembaar deksel
1B2 met afneembaar deksel.

 

6.1.4.2.1

De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van aluminium met een zuiverheid van ten minste 99% of van een legering op aluminiumbasis.

Het materiaal moet van een geschikt type zijn en de dikte moet verband houden met de inhoud van het vat en het gebruik waarvoor het bestemd is.

 

6.1.4.2.2

Alle naden moeten gelast zijn. De naden tussen bodems en randen, voor zover aanwezig, moeten versterkt zijn door afzonderlijke versterkingsringen.

 

6.1.4.2.3

De romp van vaten met een inhoud van meer dan 60 liter moeten in het algemeen voorzien zijn van ten minste twee uitgeperste rolbanden of van ten minste twee afzonderlijke rolbanden.

Indien afzonderlijke rolbanden aanwezig zijn, dan moeten deze nauw aansluiten aan de romp en op zodanige wijze zijn bevestigd, dat zij zich niet kunnen verplaatsen.

De rolbanden mogen niet door puntlassen zijn bevestigd.

 

6.1.4.2.4

De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of in de bodems van de vaten met een niet-afneembaar deksel (1B1), mag niet groter zijn dan 7 cm.

Vaten met grotere openingen worden geacht te behoren tot het type met afneembaar deksel (1B2).

De sluitingen voor mantel- en bodemopeningen van vaten moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten en dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

Flenzen voor sluitingen moeten bevestigd worden door lassen, en de lasnaad moet een dichte verbinding vormen.

Sluitingen moeten zijn voorzien van dichtingsringen of andere afdichtingsmiddelen, tenzij de sluitingen inherent dicht zijn.

 

6.1.4.2.5

De sluitingsinrichtingen van vaten met een afneembaar deksel (1B2) moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de vaten dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

De afneembare deksels moeten zijn voorzien van dichtingsringen of van andere afdichtingsmiddelen.

 

6.1.4.2.6

Grootste inhoud van de vaten: 450 liter.

 

6.1.4.2.7

Hoogste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.3

Vaten van een ander metaal dan staal of aluminium
1N1 met niet-afneembaar deksel
1N2 met afneembaar deksel.

 

6.1.4.3.1

De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van een ander metaal of een andere metaallering dan staal of aluminium.

Het materiaal moet van een geschikt type zijn en de dikte moet verband houden met de inhoud van het vat en met het gebruik waarvoor het bestemd is.

 

6.1.4.3.2

De naden tussen bodems en randen, voor zover aanwezig, moeten versterkt zijn door afzonderlijke versterkingsringen.

Alle naden, voor zover aanwezig, moeten volgens de voor het gebruikte metaal of de gebruikte metaallegering nieuwste stand van de techniek worden uitgevoerd (gelast, gesoldeerd, enz.).

 

6.1.4.3.3

De romp van vaten met een inhoud van meer dan 60 liter moeten in het algemeen voorzien zijn van ten minste twee uitgeperste rolbanden of van ten minste twee afzonderlijke rolbanden.

Indien afzonderlijke rolbanden aanwezig zijn, dan moeten deze nauw aansluiten aan de romp en op zodanige wijze zijn bevestigd, dat zij zich niet kunnen verplaatsen.

De rolbanden mogen niet door puntlassen zijn bevestigd.

 

6.1.4.3.4

De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of in de bodems van vaten met een niet-afneembaar deksel (1N1) mag niet groter zijn dan 7 cm.

Vaten met grotere openingen worden geacht te behoren tot het type met afneembaar deksel (1N2).

De sluitingen voor mantel- en bodemopeningen van vaten moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten en dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

Flenzen voor sluitingen moeten volgens de voor het gebruikte metaal of de gebruikte metaallegering nieuwste stand van de techniek worden aangebracht (gelast, gesoldeerd, enz.), zodat de naad een dichte verbinding vormt.

Sluitingen moeten zijn voorzien van dichtingsringen of andere afdichtingsmiddelen, tenzij de sluitingen inherent dicht zijn.

 

6.1.4.3.5

De sluitingsinrichtingen van vaten met een afneembaar deksel (1N2) moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de vaten dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

De afneembare deksels moeten zijn voorzien van dichtingsringen of van andere afdichtingsmiddelen.

 

6.1.4.3.6

Grootste inhoud van de vaten: 450 liter.

 

6.1.4.3.7

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.4

Jerrycans van staal of aluminium
3A1 van staal, met niet-afneembaar deksel
3A2 van staal, met afneembaar deksel
3B1 van aluminium, met niet-afneembaar deksel
3B2 van aluminium, met afneembaar deksel.

 

6.1.4.4.1

De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van staal, van aluminium met een zuiverheid van ten minste 99% of van een legering op aluminiumbasis.

Het materiaal moet van een geschikt type zijn en de dikte moet verband houden met de inhoud van de jerrycan en met het gebruik waarvoor deze bestemd is.

 

6.1.4.4.2

De randen van jerrycans van staal moeten machinaal zijn gefelst of gelast.

De rompnaden van jerrycans van staal, bestemd voor meer dan 40 liter vloeistof, moeten zijn gelast.

De rompnaden van jerrycans van staal, bestemd om 40 liter of minder te vervoeren, moeten machinaal zijn gefelst of gelast.

Alle naden van jerrycans van aluminium moeten zijn gelast. De naden van de randen moeten, voor zover aanwezig, zijn verstevigd door toepassing van een afzonderlijke versterkingsring.

 

6.1.4.4.3

De diameter van de openingen van jerrycans met niet-afneembaar deksel (3A1 en 3B1) mag niet groter zijn dan 7 cm.

De jerrycans die grotere openingen hebben, worden geacht te behoren tot het type met afneembaar deksel (3A2 en 3B2).

De sluitingen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten en dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

Sluitingen moeten zijn voorzien van dichtingsringen of andere afdichtingsmiddelen, tenzij de sluitingen inherent dicht zijn.

 

6.1.4.4.4

Indien de materialen, gebruikt voor de romp, bodems, sluitingen en uitsrustingsdelen, niet verenigbaar zijn met de te vervoeren stof, moeten geschikte beschermende binnenbekledingen of oppervlaktebehandelingen worden toegepast.

Deze binnenbekledingen of oppervlaktebehandelingen moeten hun beschermende eigenschappen behouden onder normale vervoersomstandigheden.

 

6.1.4.4.5

Grootste inhoud van de jerrycans: 60 liter.

 

6.1.4.4.6

Grootste netto massa: 120 kg.

 

6.1.4.5

Vaten van gelamineerd hout
1D

 

6.1.4.5.1

Het gebruikte hout moet goed gedroogd zijn, vochtvrij volgens handelskwaliteit en vrij van gebreken, die de bruikbaarheid van het vat voor het gestelde doel kunnen verminderen.

Indien een ander materiaal dan gelamineerd hout voor de vervaardiging van de bodems wordt gebruikt, dan moet de kwaliteit van dit materiaal gelijkwaardig zijn aan die van gelamineerd hout.

 

6.1.4.5.2

Het gelamineerde hout, gebruikt voor de romp, moet uit ten minste twee lagen, en voor de bodems uit ten minste drie lagen bestaan; de lagen moeten in de richting van de houtvezel gekruist, stevig op elkaar zijn gelijmd met een waterbestendige lijm.

 

6.1.4.5.3

De romp en de bodems moeten zijn ontworpen in overeenstemming met de inhoud van het vat en het gebruik waarvoor het bestemd is.

 

6.1.4.5.4

Om verlies van de inhoud door kieren te verhinderen, moeten de deksels worden bekleed met kraftpapier of een ander gelijkwaardig materiaal, dat stevig aan het deksel moet zijn bevestigd en zich aan de buitenzijde over de hele omtrek moet uitstrekken.

 

6.1.4.5.5

Grootste inhoud van de vaten: 250 liter.

 

6.1.4.5.6

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.6

Geschrapt

 

6.1.4.7

Kartonnen vaten
1G

6.1.4.7.1

De romp van het vat moet zijn vervaardigd van meerdere lagen dik papier of niet-gegolfd karton, die stevig zijn vastgelijmd of samengeperst en in de romp van het vat mogen één of meer beschermende lagen bitumen, geparaffineerd kraftpapier, metaalfolie, kunststof, etc., aanwezig zijn.

 

6.1.4.7.2

De bodems moeten zijn vervaardigd van natuurlijk hout, karton, metaal, gelamineerd hout, kunststof of van een ander geschikt materiaal en mogen zijn bekleed met één of meer beschermende lagen bitumen (aan weerszijden), geparaffineerd kraftpapier, metaalfolie, kunststoffen, etc.

 

6.1.4.7.3

De romp van het vat, de bodems en hun naden moeten zijn ontworpen in overeenstemming met de inhoud van het vat en het gebruik, waarvoor het bestemd is.

 

6.1.4.7.4

De samengebouwde verpakking moet zodanig waterbestendig zijn dat de lijm tussen de lagen niet loslaat onder normale vervoersomstandigheden.

 

6.1.4.7.5

Grootste inhoud van het vat: 450 liter.

 

6.1.4.7.6

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.8

Vaten en jerrycans van kunststof
1H1 vaten met niet-afneembaar deksel
1H2 vaten met afneembaar deksel
3H1 jerrycans met niet-afneembaar deksel
3H2 jerrycans met afneembaar deksel.

 

6.1.4.8.1

De verpakking moet zijn vervaardigd van geschikte kunststof en de dikte moet verband houden met de inhoud van de jerrycan en met het gebruik waarvoor deze bestemd is.

Met uitzondering van gerecycleerde kunststof, zoals gedefinieerd in 1.2.1, mogen geen andere gebruikte materialen worden gebezigd dan productieresten of afval, afkomstig van hetzelfde fabricageproces.

De verpakking moet voldoende resistent zijn tegen veroudering en tegen de door de vervoerde stof of door ultraviolette straling veroorzaakte kwaliteitsvermindering.

Iedere vorm van permeatie van de in de verpakking vervoerde stof, of gerecycleerde kunststof dat voor de vervaardiging van nieuwe verpakkingen wordt gebruikt, mogen geen gevaar opleveren onder normale vervoersomstandigheden.

 

6.1.4.8.2

Indien bescherming tegen ultraviolette straling noodzakelijk is, dan dient dit te geschieden door toevoeging van roet of andere geschikte kleurstoffen of inhibitoren.

Deze toevoegingen moeten met de inhoud verenigbaar zijn en zij moeten gedurende de gehele gebruiksduur van de verpakking werkzaam blijven.

Bij gebruik van roet, pigmenten of inhibitoren, die verschillen van die, welke gebruikt zijn voor de fabricage van het beproefde ontwerptype, kan ervan worden afgezien om opnieuw te beproeven, indien het roetgehalte niet hoger is dan 2% in massa of indien het gehalte kleurstoffen niet hoger is dan 3% in massa; het gehalte aan inhibitoren tegen ultraviolette straling is niet beperkt.

 

6.1.4.8.3

Toevoegingen voor andere doeleinden dan bescherming tegen ultraviolette straling aan de samenstelling van het kunststof materiaal zijn toegestaan, onder voorwaarde dat deze de chemische en fysische eigenschappen van het materiaal van de verpakking niet op ongunstige wijze beïnvloeden.

In zo'n geval kan ervan worden afgezien om opnieuw te beproeven.

 

6.1.4.8.4

De wanddikte moet op elke plaats van de verpakking verband houden met de inhoud en met het gebruik waarvoor deze bestemd is, waarbij evenwel rekening is gehouden met de belastingen, waaraan elke plaats van de verpakking kan worden blootgesteld.

 

6.1.4.8.5

De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of in de bodems van vaten met niet-afneembaar deksel (1H1) en jerrycans met niet-afneembaar deksel (3H1) mag niet groter zijn dan 7 cm.

Vaten en jerrycans met grotere openingen worden geacht te behoren tot het type met afneembaar deksel (1H2 en 3H2).

De sluitingen voor mantel- en bodemopeningen van vaten en jerrycans moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten en dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

Sluitingen moeten zijn voorzien van dichtingsringen of andere afdichtingsmiddelen, tenzij de sluitingen inherent dicht zijn.

 

6.1.4.8.6

De sluitingsinrichtingen van vaten en jerrycans met afneembaar deksel (1H2 en 3H2) moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten en dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

Dichtingsringen moeten worden gebruikt bij alle afneembare deksels, tenzij het vat of de jerrycan al inherent dicht is doordat het ontwerp zelf voorziet in een deugdelijk vastgezet afneembaar deksel.

 

6.1.4.8.7

De permeabiliteit voor brandbare vloeistoffen mag bij 23 oC hoogstens 0,008 g/l.h bedragen (zie 6.1.5.7).

 

6.1.4.8.8

Indien gerecycleerde kunststof wordt gebruikt voor de fabricage van nieuwe verpakkingen, moeten de specifieke eigenschappen worden gegarandeerd en regelmatig worden gedocumenteerd als onderdeel van een kwaliteitsborgingsprogramma, erkend door de bevoegde autoriteit.

Het kwaliteitsborgingsprogramma moet een registratie van een geschikte voorsortering en controle omvatten, zodat elke batch van gerecycleerd materiaal de juiste smeltindex, dichtheid en treksterkte bezit, overeenkomend met die van het ontwerptype, vervaardigd van dergelijk gerecycleerd materiaal.

Dit omvat noodzakelijkerwijze informatie omtrent het verpakkingsmateriaal, waarvan de gerecycleerde kunststoffen afkomstig zijn, alsmede informatie omtrent de vroegere inhoud van deze verpakkingen, indien deze vroegere inhoud het prestatievermogen van nieuwe verpakkingen, gefabriceerd van dat materiaal, zou kunnen verminderen.

Bovendien moet in het kwaliteitsborgingsprogramma van de fabrikant van de verpakking, overeenkomstig 6.1.1.4, de uitvoering van de mechanische beproevingen van het prototype, overeenkomstig 6.1.5, zijn opgenomen, uit te voeren op verpakkingen vervaardigd van elke batch van gerecycleerd kunststof materiaal.

Bij deze beproevingen mag het prestatievermogen bij de stapelproef worden onderzocht door middel van een geschikte dynamische compressiebeproeving in plaats van de stapelproef volgens 6.1.5.6.

Opmerking: Norm ISO 16103:2005 “Verpakking - Transportverpakkingen voor gevaarlijke goederen - Gerecycled kunststof materiaal” geeft aanvullende adviezen voor te volgen procedures voor de goedkeuring van het gebruik van gerecycleerde kunststoffen.

 

6.1.4.8.9

Grootste inhoud van de vaten en jerrycans:

  • 1H1 en 1H2: 450 liter;
  • 3H1 en 3H2: 60 liter.

 

6.1.4.8.10

Grootste netto massa:

  • 1H1 en 1H2: 400 kg;
  • 3H1 en 3H2: 120 kg.

 

6.1.4.9

Kisten van natuurlijk hout
4C1 gewone kisten;
4C2 met stofdichte wanden.

 

6.1.4.9.1

Het gebruikte hout moet goed gedroogd zijn, vochtvrij volgens handelskwaliteit, en vrij van gebreken, die de sterkte van de diverse onderdelen van de kist merkbaar verminderen.

Het weerstandsvermogen van het gebruikte materiaal en de wijze van constructie moeten zijn aangepast aan de inhoud van de kist en aan het gebruik waarvoor deze is bestemd.

Het deksel en de bodem mogen van waterbestendig houtvezelmateriaal zijn zoals hardboard, spaanplaat of een ander geschikt type.

 

6.1.4.9.2

De bevestigingsmiddelen moeten weerstand bieden tegen trillingen, die volgens ervaring onder normale vervoersomstandigheden voorkomen.

Het aanbrengen van spijkers in de richting van de vezels van het hout aan het uiteinde van planken moet zo mogelijk worden vermeden.

Verbindingen die mogelijk aan sterke belastingen kunnen blootstaan, moeten worden uitgevoerd met behulp van omgeslagen of ringvormige spijkers of gelijkwaardige bevestigingsmiddelen.

 

6.1.4.9.3

Kisten 4C2: Elk onderdeel van de kist moet bestaan uit één stuk of gelijkwaardig daaraan zijn.

Onderdelen worden beschouwd gelijkwaardig te zijn aan onderdelen uit één stuk, indien zij volgens een van de volgende methoden zijn samengelijmd: Lindermann (zwaluwstaart) verbinding, messing en groefverbinding, overlappende verbinding, of stompe verbinding met ten minste twee gegolfde metalen krammen voor elke verbinding.

 

6.1.4.9.4

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.10

Kisten van gelamineerd hout
4D

 

6.1.4.10.1

Het gebruikte soort gelamineerd hout moet uit ten minste drie lagen bestaan, en zijn vervaardigd van goed gedroogde bladen fineer, verkregen door afschillen, snijden of zagen, vochtvrij volgens handelskwaliteit, en vrij van gebreken, die de sterkte van de kist zouden kunnen verminderen.

De sterkte van het gebruikte materiaal en de wijze van constructie moeten zijn aangepast aan de inhoud van de kist en aan het gebruik waarvoor deze is bestemd.

De afzonderlijke lagen moeten met een waterbestendige lijm op elkaar worden gelijmd. Voor de fabricage van de kisten mogen tezamen met gelamineerd hout ook andere geschikte materialen worden gebruikt.

De kisten moeten aan de hoekstijlen of uiteinden stevig zijn gespijkerd of vastgemaakt of in elkaar gezet met andere gelijkwaardige en eveneens geschikte middelen.

 

6.1.4.10.2

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.11

Kisten van houtvezelmateriaal
4F

 

6.1.4.11.1

De wanden van de kisten moeten van waterbestendig houtvezelmateriaal zijn zoals hardboard, spaanplaat of een ander geschikt type.

Het weerstandsvermogen van het gebruikte materiaal en de wijze van constructie moeten zijn aangepast aan de inhoud van de kist en aan het gebruik, waarvoor deze is bestemd.

 

6.1.4.11.2

De andere gedeelten van de kisten mogen van andere geschikte materialen zijn vervaardigd.

 

6.1.4.11.3

De kisten moeten met behulp van geschikte middelen op stevige wijze in elkaar worden gezet.

 

6.1.4.11.4

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.12

Kartonnen dozen
4G

 

6.1.4.12.1

Er moet gebruikgemaakt worden van massief karton of van golfkarton (met één of meer golflagen), van goede kwaliteit, dat geschikt is voor de inhoud en het gebruik, waarvoor de dozen zijn bestemd.

De waterbestendigheid van het buitenoppervlak moet zodanig zijn, dat de massatoename, gemeten bij een beproeving ter vaststelling van de absorptie van water gedurende 30 minuten volgens de methode van Cobb, niet meer bedraagt dan 155 g/m2 - zie ISO-norm 535-1991.

Het karton moet een geschikte buigsterkte hebben. Het karton moet op zodanige wijze zijn gesneden, zonder kerf gerild en voorzien van een sleuf, dat bij het in elkaar zetten geen breuk optreedt, en dat het oppervlak niet scheurt of te veel opbolt.

De golflagen van het golfkarton moeten stevig aan de vlakke lagen zijn gelijmd.

 

6.1.4.12.2

De kopwanden van de dozen mogen van een houten raamwerk zijn voorzien of geheel van hout of een ander geschikt materiaal zijn vervaardigd.

Als versterking mogen houten lijsten of andere geschikte materialen worden gebruikt

 

6.1.4.12.3

De naden van de dozen moeten met kleefband worden geplakt, of uitgevoerd zijn met een gelijmde of met metalen nieten gehechte overlapping.

De overlapping van de naden moet voldoende zijn.

 

6.1.4.12.4

Indien de sluiting door lijmen of met kleefband wordt uitgevoerd, moet de lijm waterbestendig zijn.

 

6.1.4.12.5

De afmetingen van de doos moeten zijn aangepast aan de inhoud.

 

6.1.4.12.6

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.13

Dozen van kunststof
4H1 dozen van geëxpandeerde kunststof
4H2 dozen van stijve kunststof.

 

6.1.4.13.1

 

De doos moet zijn vervaardigd van een geschikte kunststof en de stevigheid van de doos moet verband houden met de inhoud van de doos en met het gebruik waarvoor deze bestemd is.

De doos moet voldoende resistent zijn tegen veroudering en tegen de door de vervoerde stof of door ultraviolette straling veroorzaakte kwaliteitsvermindering.

 

6.1.4.13.2

Een doos van geëxpandeerde kunststof moet bestaan uit twee delen van geëxpandeerde, gevormde kunststof, een onderstuk, voorzien van uitsparingen voor de binnenverpakkingen, en een bovenstuk, dat het onderstuk afdekt en er precies in past.

De constructie van het bovenstuk en het onderstuk moet zodanig zijn, dat de binnenverpakkingen er zonder speling in passen.

De afsluitdoppen van de binnenverpakkingen mogen niet in aanraking komen met het binnenoppervlak van het bovenstuk van de doos.

 

6.1.4.13.3

Voor de verzending moeten dozen van geëxpandeerde kunststof worden gesloten met een zelfklevende band, waarvan de treksterkte voldoende moet zijn om te verhinderen, dat de doos opengaat.

De zelfklevende band moet bestendig zijn tegen weersinvloeden en de kleefstof moet verenigbaar zijn met het geëxpandeerde kunststof materiaal van de doos.

Andere sluitingsinrichtingen mogen ook gebruikt worden onder voorwaarde dat zij ten minste even doelmatig zijn.

 

6.1.4.13.4

Bij dozen van stijve kunststof moet de bescherming tegen ultraviolette straling, indien dit is vereist, worden verkregen door toevoeging van roet of andere geschikte kleurstoffen of inhibitoren.

Deze toevoegingen moeten ten opzichte van de inhoud indifferent zijn en zij moeten gedurende de gehele toegestane gebruiksduur van de verpakking werkzaam blijven.

Bij gebruik van roet, kleurstoffen of inhibitoren, die verschillen van die, welke gebruikt zijn voor de fabricage van het beproefde ontwerptype, kan ervan worden afgezien om opnieuw te beproeven, indien het roetgehalte niet hoger is dan 2% in massa, of indien het gehalte kleurstoffen niet hoger is dan 3% in massa; het gehalte aan inhibitoren tegen ultraviolette straling is niet beperkt.

 

6.1.4.13.5

Toevoegingen voor andere doeleinden dan bescherming tegen ultraviolette straling aan de samenstelling van het kunststof materiaal zijn toegestaan, onder voorwaarde dat deze de chemische en fysische eigenschappen van het materiaal van de verpakking niet op ongunstige wijze beïnvloeden.

In zo'n geval kan ervan worden afgezien om opnieuw te beproeven.

 

6.1.4.13.6

Dozen van stijve kunststof moeten sluitingsinrichtingen hebben die zijn vervaardigd van een geschikt materiaal dat voldoende stevig is en zo geconstrueerd dat elke onbedoelde opening wordt uitgesloten.

 

6.1.4.13.7

Indien gerecycleerde kunststof wordt gebruikt voor de fabricage van nieuwe verpakkingen, moeten de specifieke eigenschappen worden gegarandeerd en regelmatig worden gedocumenteerd als onderdeel van een kwaliteitsborgingsprogramma, erkend door de bevoegde autoriteit. Het kwaliteitsborgingsprogramma moet een registratie van een geschikte voorsortering en controle omvatten, zodat elke batch van gerecycleerd materiaal de juiste smeltindex, dichtheid en treksterkte bezit, overeenkomend met die van het ontwerptype, vervaardigd van dergelijk gerecycleerd materiaal.

Dit omvat noodzakelijkerwijze informatie omtrent het verpakkingsmateriaal, waarvan de gerecycleerde kunststoffen afkomstig zijn, alsmede informatie omtrent de vroegere inhoud van deze verpakkingen, indien deze vroegere inhoud het prestatievermogen van nieuwe verpakkingen, gefabriceerd van dat materiaal, zou kunnen verminderen.

Bovendien moet in het kwaliteitsborgingsprogramma van de fabrikant van de verpakking, overeenkomstig 6.1.1.4, de uitvoering van de mechanische beproevingen van het prototype, overeenkomstig 6.1.5, zijn opgenomen, uit te voeren op verpakkingen vervaardigd van elke batch van gerecycleerd kunststof materiaal.

Bij deze beproevingen mag het prestatievermogen bij de stapelproef worden onderzocht door middel van een geschikte dynamische compressiebeproeving in plaats van de statische stapelproef.

 

6.1.4.13.8

Grootste netto massa:

  • 4H1: 60 kg
  • 4H2: 400 kg

 

6.1.4.14

Kisten van staal, aluminium of ander metaal
4A stalen kisten
4B aluminium kisten
4N kisten van metaal, met uitzondering van staal of aluminium.

 

6.1.4.14.1

De sterkte van het metaal en de constructie van de kist moeten verband houden met de inhoud van de kist en met het gebruik, waarvoor deze bestemd is.

 

6.1.4.14.2

De kisten moeten van binnen zijn bekleed met karton of met vilt, al naar gelang, of zijn voorzien van een binnenbekleding of coating van een geschikt materiaal.

Indien de binnenbekleding van metaal is en met dubbele felsnaden in elkaar is gezet, moeten maatregelen worden genomen om te verhinderen dat stoffen, in het bijzonder ontplofbare stoffen, in de naden doordringen.

 

6.1.4.14.3

Elk geschikt type sluiting is toegestaan; zij mag onder normale vervoersomstandigheden niet losgaan.

 

6.1.4.14.4

Grootste netto massa: 400 kg.

 

6.1.4.15

Zakken van textiel
5L1 zonder binnenzak of zonder binnenbekleding
5L2 stofdicht
5L3 waterbestendig

 

6.1.4.15.1

De gebruikte textielweefsels moeten van goede kwaliteit zijn.

De sterkte van de geweven stof en de vervaardiging van de zak moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik, waarvoor deze bestemd is.

 

6.1.4.15.2

Stofdichte zakken, 5L2: De zak moet stofdicht zijn gemaakt, bijvoorbeeld door gebruik van:

  1. papier, dat met een waterbestendig kleefmiddel zoals bitumen aan het binnenoppervlak van de zak geplakt is; of
  2. een kunststof folie, die op het binnenoppervlak van de zak geplakt is; of
  3. één of meer binnenzakken van papier of kunststof.

 

6.1.4.15.3

Waterbestendige zakken, 5L3: De zak moet op zodanige wijze waterdicht zijn gemaakt, dat binnendringen van vocht volkomen is uitgesloten, bijvoorbeeld door gebruik van:

  1. gescheiden binnenzakken van waterbestendig papier (bijv. geparaffineerd kraftpapier, gebitumineerd papier of met kunststof bekleed kraftpapier); of
  2. een kunststof folie, die op het binnenoppervlak van de zak geplakt is; of
  3. één of meer binnenzakken van kunststof.

 

6.1.4.15.4

Grootste netto massa: 50 kg.

 

6.1.4.16

Zakken van kunststof weefsel
5H1 zonder binnenzak of zonder binnenbekleding
5H2 stofdicht
5H3 waterbestendig.

 

6.1.4.16.1

De zakken moeten zijn vervaardigd van verstrekte banden of enkelvoudige filamenten van een geschikte kunststof.

De sterkte van het gebruikte materiaal en de vervaardiging van de zak moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik, waarvoor deze bedoeld is.

 

6.1.4.16.2

Indien het gebruikte doek vlak is geweven, moeten de zakken worden vervaardigd door bodem en één zijkant dicht te naaien of door een andere werkwijze, die de sluiting daarvan waarborgt.

Indien het doek rond is geweven, moet de bodem van de zak worden gesloten door deze dicht te naaien of te weven, of een andere wijze van sluiting, die een gelijkwaardige sterkte biedt.

 

6.1.4.16.3

Stofdichte zakken, 5H2: De zak moet stofdicht zijn gemaakt, bijvoorbeeld door gebruik van:

  1. papier of een kunststof folie, die op het binnenoppervlak van de zak geplakt is; of
  2. één of meer gescheiden binnenzakken van papier of kunststof.

 

6.1.4.16.4

Waterbestendige zakken, 5H3: De zak moet op zodanige wijze waterdicht zijn gemaakt, dat binnendringen van vocht volkomen is uitgesloten, bijvoorbeeld door gebruik van:

  1. gescheiden binnenzakken van waterbestendig papier (bijv. geparaffineerd kraftpapier, aan beide zijden gebitumineerd of met kunststof bekleed kraftpapier); of
  2. een kunststof folie, die op het binnen of buitenoppervlak van de zak geplakt is; of
  3. één of meer binnenzakken van kunststof.

 

6.1.4.16.5

Grootste netto massa: 50 kg.

 

6.1.4.17

Zakken van kunststof folie
5H4

 

6.1.4.17.1

De zakken moeten zijn vervaardigd van een geschikte kunststof. De sterkte van het gebruikte materiaal en de vervaardiging van de zak moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik, waarvoor deze bestemd is.

De naden en sluitingen moeten bestand zijn tegen de druk en de schokken, die de zak onder normale vervoersomstandigheden kan ondergaan.

 

6.1.4.17.2

Grootste netto massa: 50 kg.

 

6.1.4.18

Papieren zakken
5M1 met meer dan één laag
5M2 met meer dan één laag, waterbestendig.

 

6.1.4.18.1

Zakken moeten worden gemaakt van een geschikte soort kraftpapier of van een gelijkwaardige papiersoort met ten minste drie lagen, de middelste laag daarvan mag netweefsel zijn die aan de buitenste papierlagen gelijmd is.

De sterkte van het papier en de vervaardiging van de zakken moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik waarvoor deze bestemd is. De naden en sluitingen moeten stofdicht zijn.

 

6.1.4.18.2

Papieren zakken 5M2: Teneinde het binnendringen van vocht te verhinderen, moet een zak met vier of meer lagen waterdicht gemaakt zijn, hetzij door het gebruik van een waterbestendige laag als van één van de twee buitenste lagen, hetzij door het gebruik van een waterbestendige tussenlaag van een geschikt beschermend materiaal tussen de twee buitenste lagen; een zak met drie lagen moet waterdicht gemaakt zijn door het gebruik van een waterbestendige laag als buitenste laag.

Indien gevaar bestaat dat de inhoud met vocht reageert of indien de inhoud in vochtige toestand wordt verpakt, moet bovendien een waterbestendige laag of bekleding - bijv. dubbel geteerd kraftpapier, met kunststof bekleed kraftpapier, een kunststof folie waarmee het binnenoppervlak van de zak is bedekt, of één of meer binnenbekledingen van kunststof - in direct contact met de inhoud zijn aangebracht.

De naden en sluitingen moeten waterdicht zijn.

 

6.1.4.18.3

Grootste netto massa: 50 kg.

 

6.1.4.19

Combinatieverpakkingen (kunststof)

  • 6HA1 kunststof houder met als buitenverpakking een stalen vat
  • 6HA2 kunststof houder met als buitenverpakking een stalen korf of kist
  • 6HB1 kunststof houder met als buitenverpakking een aluminium vat
  • 6HB2 kunststof houder met als buitenverpakking een aluminium korf of kist
  • 6HC kunststof houder met als buitenverpakking een houten kist
  • 6HD1 kunststof houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout
  • 6HD2 kunststof houder met als buitenverpakking een kist van gelamineerd hout
  • 6HG1 kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen vat
  • 6HG2 kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen doos
  • 6HH1 kunststof houder met als buitenverpakking een kunststof vat
  • 6HH2 kunststof houder met als buitenverpakking een doos van stijve kunststof.

 

6.1.4.19.1

Binnenhouder

6.1.4.19.1.1

De binnenhouder van kunststof moet voldoen aan de bepalingen van 6.1.4.8.1 en 6.1.4.8.4 t/m 6.1.4.8.7.

 

6.1.4.19.1.2

De binnenhouder van kunststof moet zonder speelruimte passen in de buitenverpakking; deze laatste mag geen uitstekende delen bezitten, die aanleiding zouden kunnen geven tot afschuren van de kunststof.

 

6.1.4.19.1.3

Grootste inhoud van de binnenhouder:

  • 6HA1, 6HB1, 6HD1, 6HG1, 6HH1: 250 liter
  • 6HA2, 6HB2, 6HC, 6HD2, 6HG2, 6HH2: 60 liter.

 

6.1.4.19.1.4

Grootste netto massa:

  • 6HA1, 6HB1, 6HD1, 6HG1, 6HH1: 400 kg
  • 6HA2, 6HB2, 6HC, 6HD2, 6HG2, 6HH2: 75 kg.

 

6.1.4.19.2

Buitenverpakking

 

6.1.4.19.2.1

Kunststof houder met als buitenverpakking een stalen of aluminium vat, 6HA1 of 6HB1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.1 of 6.1.4.2.

 

6.1.4.19.2.2

Kunststof houder met als buitenverpakking een stalen of aluminium korf of kist, 6HA2 of 6HB2: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.13.

 

6.1.4.19.2.3

Kunststof houder met als buitenverpakking een houten kist, 6HC: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.9.

 

6.1.4.19.2.4

Kunststof houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout, 6HD1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.5.

 

6.1.4.19.2.5

Kunststof houder met als buitenverpakking een kist van gelamineerd hout, 6HD2: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.10.

 

6.1.4.19.2.6

Kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen vat, 6HG1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.7.1 t/m 6.1.4.7.4.

 

6.1.4.19.2.7

Kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen doos, 6HG2: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.12.

 

6.1.4.19.2.8

Kunststof houder met als buitenverpakking een kunststof vat, 6HH1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.8.1 t/m 6.1.4.8.6.

 

6.1.4.19.2.9

Kunststof houder met als buitenverpakking een doos van stijve kunststof (met inbegrip van gegolfde kunststof), 6HH2: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.13.1 en 6.1.4.13.4 t/m 6.1.4.13.6.

 

6.1.4.20

Combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk)

  • 6PA1 houder met als buitenverpakking een stalen vat
  • 6PA2 houder met als buitenverpakking een stalen korf of kist
  • 6PB1 houder met als buitenverpakking een aluminium vat
  • 6PB2 houder met als buitenverpakking een aluminium korf of kist
  • 6PC houder met als buitenverpakking een houten kist
  • 6PD1 houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout
  • 6PD2 houder met als buitenverpakking een tenen mand
  • 6PG1 houder met als buitenverpakking een kartonnen vat
  • 6PG2 houder met als buitenverpakking een kartonnen doos
  • 6PH1 houder met een buitenverpakking van geëxpandeerde kunststof
  • 6PH2 houder met een buitenverpakking van stijve kunststof.

 

6.1.4.20.1

Binnenhouder

 

6.1.4.20.1.1

De houders moeten een geschikte vorm hebben (cilindrisch of peervormig) en zij moeten zijn vervaardigd van een goede kwaliteit materiaal, vrij van gebreken, die de sterkte zouden kunnen verminderen.

De wanden moeten op alle plaatsen voldoende dik zijn, en vrij van inwendige spanningen.

 

6.1.4.20.1.2

Als sluiting van de houders moet gebruikgemaakt worden van kunststof schroefsluitingen, ingeslepen stoppen of ten minste even doelmatige sluitingen.

Alle delen van de sluitingen, die in aanraking kunnen komen met de inhoud van de houder, moeten tegen de werking van de inhoud bestendig zijn. Er dient bij de sluitingen gelet te worden op een hermetische passing en dat zij op zodanige wijze zijn vastgezet, dat zij tijdens het vervoer niet los kunnen gaan.

Indien sluitingen met een ontluchtingsinrichting vereist zijn, moeten deze voldoen aan 4.1.1.8.

 

6.1.4.20.1.3

De houder moet in de buitenverpakking goed zijn vastgezet met behulp van stoffen met schokbrekende en/of vloeistofabsorberende eigenschappen.

 

6.1.4.20.1.4

Grootste inhoud van de houder: 60 liter.

 

6.1.4.20.1.5

Grootste netto massa: 75 kg.

 

6.1.4.20.2

Buitenverpakking

 

6.1.4.20.2.1

Houder met als buitenverpakking een stalen vat, 6PA1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.1. Het voor dit type verpakking noodzakelijke afneembare deksel mag echter de vorm hebben van een kap.

 

6.1.4.20.2.2

Houder met als buitenverpakking een stalen korf of kist, 6PA2: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.14. In het geval van cilindrische houders moet in verticale stand de buitenverpakking hoger zijn dan de houder en de sluiting daarvan.

Indien rondom een peervormige houder een buitenverpakking in de vorm van een korf aanwezig is en aan de vorm daarvan is aangepast, moet de buitenverpakking voorzien zijn van een beschermende afdekking (kap).

 

6.1.4.20.2.3

Houder met als buitenverpakking een aluminium vat, 6PB1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.2.

 

6.1.4.20.2.4

Houder met als buitenverpakking een aluminium korf of kist, 6PB2: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.14.

 

6.1.4.20.2.5

Houder met als buitenverpakking een houten kist, 6PC: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.9.

 

6.1.4.20.2.6

Houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout, 6PD1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.5.

 

6.1.4.20.2.7

Houder met als buitenverpakking een tenen mand, 6PD2: De tenen manden moeten op een daartoe geschikte wijze zijn vervaardigd van een materiaal van goede kwaliteit. Zij moeten voorzien zijn van een beschermende afdekking (kap), zodat beschadiging van de houders wordt vermeden.

 

6.1.4.20.2.8

Houder met als buitenverpakking een kartonnen vat, 6PG1: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.7.1 t/m 6.1.4.7.4.

 

6.1.4.20.2.9

Houder met als buitenverpakking een kartonnen doos, 6PG2: Voor de constructie van de buitenverpakking gelden de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.12.

 

6.1.4.20.2.10

Houders met een buitenverpakking van geëxpandeerde kunststof, 6PH1, of van stijve kunststof, 6PH2:

De materialen van beide buitenverpakkingen moeten voldoen aan de overeenkomstige bepalingen van 6.1.4.13.

Buitenverpakkingen van stijve kunststof moeten zijn vervaardigd van polyetheen met hoge dichtheid of van een andere vergelijkbare kunststof.

Het afneembare deksel voor dit type verpakking mag echter de vorm hebben van een kap.

 

6.1.4.21

Samengestelde verpakkingen

Voor de te gebruiken buitenverpakkingen gelden de overeenkomstige bepalingen van sectie 6.1.4.

Opmerking: Voor de te gebruiken binnen- en buitenverpakkingen, zie de desbetreffende verpakkingsinstructies in hoofdstuk 4.1

 

6.1.4.22

Lichte metalen verpakkingen
0A1 met niet-afneembaar deksel
0A2 met afneembaar deksel.

 

6.1.4.22.1

De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van een geschikte soort plaatstaal; de dikte van de plaat moet verband houden met de inhoud van de verpakkingen en het gebruik waarvoor deze bestemd zijn.

 

6.1.4.22.2

De naden moeten gelast, ten minste dubbel gefelst, of volgens een andere methode zijn uitgevoerd, die een vergelijkbare sterkte en dichtheid waarborgt

 

6.1.4.22.3

Binnenbekledingen van zink, tin, lak, etc., moeten bestendig zijn en op alle plaatsen, met inbegrip van de sluitingen, goed aan het staal hechten.

 

6.1.4.22.4

De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of de bodems van de verpakkingen met niet-afneembaar deksel (0A1) mag niet groter zijn dan 7 cm.

Verpakkingen met grotere openingen worden geacht te behoren tot het type met afneembaar deksel (0A2).

 

6.1.4.22.5

De sluitingen van verpakkingen met niet-afneembaar deksel (0A1) moeten ofwel van het type met schroefdraad zijn, dan wel door een inrichting die geschroefd kan worden, of door een ander type inrichting, ten minste even doelmatig, kunnen worden vastgezet.

De sluitingsinrichtingen van verpakkingen met afneembaar deksel (0A2) moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de verpakkingen dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

 

6.1.4.22.6

Grootste inhoud van de verpakkingen: 40 liter.

 

6.1.4.22.7

Grootste netto massa: 50 kg.

 

6.1.5

Voorschriften voor de beproeving van de verpakkingen

6.1.5.1

Uitvoering en herhaling van de beproevingen

 

6.1.5.1.1

Het ontwerptype van elke verpakking moet worden beproefd zoals bepaald in 6.1.5 overeenkomstig procedures, vastgelegd door de bevoegde autoriteit die zorgt voor de toekenning van het kenmerk en het moet door deze bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd.

 

6.1.5.1.2

Elk ontwerptype van een verpakking moet met goed gevolg de beproevingen, voorgeschreven in dit hoofdstuk, doorstaan alvorens een dergelijke verpakking wordt gebruikt.

Het ontwerptype van de verpakking wordt bepaald door het ontwerp, de grootte, het gebruikte materiaal en de dikte, de wijze van fabricage en assemblage, maar het kan ook diverse oppervlaktebehandelingen omvatten.

Het omvat ook verpakkingen die van het ontwerptype slechts afwijken door een lagere hoogte van het ontwerp.

 

6.1.5.1.3

De beproevingen moeten bij door de bevoegde autoriteit vastgestelde tussenpozen worden herhaald met monsters uit de productie.

Indien dergelijke beproevingen worden uitgevoerd met verpakkingen van papier of van karton, wordt een voorbereiding onder de heersende omstandigheden beschouwd als gelijkwaardig aan de voorschriften van 6.1.5.2.3.

 

6.1.5.1.4

De beproevingen moeten tevens worden herhaald na elke wijziging van het ontwerp, het materiaal of van de wijze van constructie van een verpakking.

 

6.1.5.1.5

De bevoegde autoriteit kan akkoord gaan met de selectieve beproeving van verpakkingen die slechts op minder belangrijke aspecten verschillen van een reeds beproefd type, bijv. verpakkingen met binnenverpakkingen van kleinere afmetingen of binnenverpakkingen met een kleinere netto massa, voorts verpakkingen, zoals vaten, zakken, kisten en dozen waarvan één of meer van de buitenmaten iets verkleind zijn.

 

6.1.5.1.6

Gereserveerd

Opmerking: Wat betreft de voorwaarden voor het gebruik van verschillende binnenverpakkingen in een buitenverpakking en de toegestane variaties in binnenverpakkingen, zie 4.1.1.5.1. Deze voorwaarden stellen geen beperking aan het gebruik van binnenverpakkingen bij toepassing van 6.1.5.1.7.

 

6.1.5.1.7

Voorwerpen of binnenverpakkingen van een willekeurig type voor vaste stoffen of vloeistoffen mogen worden samengevoegd en vervoerd, zonder dat deze aan beproevingen in een buitenverpakking zijn onderworpen, onder de volgende voorwaarden:

  1. De buitenverpakking moet met succes volgens 6.1.5.3 zijn beproefd met breekbare binnenverpakkingen (bijv. van glas), die vloeistoffen bevatten, bij een valhoogte overeenkomstig verpakkingsgroep I.
  2. De totale bruto massa van alle binnenverpakkingen mag niet hoger zijn dan de helft van de bruto massa van de binnenverpakkingen die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt.
  3. De dikte van het opvulmateriaal tussen de binnenverpakkingen onderling en tussen de binnenverpakkingen en de buitenzijde van de verpakking mag niet teruggebracht worden tot een waarde, lager dan de overeenkomstige dikte van de oorspronkelijk beproefde verpakking; indien bij de oorspronkelijke beproeving gebruik is gemaakt van één binnenverpakking, mag de dikte van het opvulmateriaal tussen de binnenverpakkingen niet lager zijn dan de dikte van het opvulmateriaal tussen de buitenzijde van de verpakking en de binnenverpakking bij de oorspronkelijke beproeving. Indien gebruikgemaakt wordt van minder of kleinere binnenverpakkingen (in vergelijking tot de binnenverpakkingen, gebruikt bij de valproef), moet voldoende opvulmateriaal worden toegevoegd om de tussenruimten op te vullen.
  4. De buitenverpakking moet in ledige toestand de in 6.1.5.6 beschreven stapelproef hebben doorstaan. De totale massa van identieke colli moet gebaseerd zijn op de totale massa van de binnenverpakkingen die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt.
  5. Binnenverpakkingen die vloeistoffen bevatten, moeten volledig zijn omringd door een hoeveelheid absorberend materiaal, die voldoende is om de volledige hoeveelheid vloeistof die aanwezig is in de binnenverpakkingen te absorberen.
  6. Indien de buitenverpakking die bestemd is voor binnenverpakkingen met vloeistoffen, niet vloeistofdicht is, of indien de buitenverpakking die bestemd is voor binnenverpakkingen met vaste stoffen, niet stofdicht is, moet een geschikt middel worden gebruikt om de vloeibare of vaste inhoud in geval van lekkage binnen te houden, zoals een dichte bekleding, een kunststof zak of een ander even werkzaam middel. Bij verpakkingen die vloeistoffen bevatten, moet het hierboven onder e) voorgeschreven absorberend materiaal binnen het middel, bedoeld om de vloeibare inhoud binnen te houden, aangebracht zijn.
  7. De verpakkingen moeten van kenmerken overeenkomstig 6.1.3 zijn voorzien, waaruit blijkt dat de verpakkingen zijn onderworpen aan de prestatiebeproevingen van verpakkingsgroep I voor samengestelde verpakkingen. De aangegeven grootste bruto massa in kg moet overeenkomen met de som van de massa van de buitenverpakking en de helft van de massa van de binnenverpakking(en) die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt. In het kenmerk moet tevens de letter "V" overeenkomstig 6.1.2.4 zijn opgenomen.

 

6.1.5.1.8

De bevoegde autoriteit kan op elk ogenblik eisen, dat door beproevingen volgens deze sectie wordt bewezen, dat de in serie gefabriceerde verpakkingen voldoen aan de beproevingseisen van het ontwerptype.

Ter wille van verificatie moeten rapporten van deze beproevingen worden bewaard.

 

6.1.5.1.9

Indien om veiligheidsredenen een inwendige behandeling of binnen bekleding noodzakelijk is, dan moet deze ook na de beproevingen haar beschermende eigenschappen behouden.

 

6.1.5.1.10

Onder voorwaarde dat de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet wordt verminderd en met toestemming van de bevoegde autoriteit, mogen meerdere beproevingen worden uitgevoerd met één monster.

 

6.1.5.1.11

Bergingsverpakkingen

Bergingsverpakkingen (zie 1.2.1) moeten worden beproefd en gekenmerkt overeenkomstig de bepalingen van toepassing op verpakkingen van verpakkingsgroep II, bestemd voor vervoer van vaste stoffen of binnenverpakkingen, met uitzondering van het volgende:

  1. De voor de beproeving te gebruiken stof moet water zijn; de verpakkingen moeten ten minste 98% van hun grootste inhoud zijn gevuld. Het is toegestaan om ter verkrijging van de vereiste totale massa van het collo andere materialen erbij te gebruiken, zoals zakken met loodkorrels, mits zij zodanig worden geplaatst dat de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet wordt verminderd. Als alternatief mag bij de uitvoering van de valproef de valhoogte overeenkomstig 6.1.5.3.5 b) worden gevarieerd.
  2. De verpakkingen moeten bovendien met goed gevolg aan de dichtheidsproef bij 30 kPa zijn onderworpen; de resultaten van deze beproeving moeten in het beproevingsrapport volgens 6.1.5.8 zijn weergegeven.
  3. De verpakkingen moeten zijn gekenmerkt met de hoofdletter "T" , zoals aangegeven in 6.1.2.4.

 

6.1.5.2

Voorbereiding van de verpakkingen en de colli voor de beproevingen.

 

6.1.5.2.1

De beproevingen moeten worden uitgevoerd met verpakkingen, die als voor verzending gereed zijn gemaakt, met inbegrip van de binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen.

Binnenhouders of binnenverpakkingen of enkelvoudige houders of enkelvoudige verpakkingen, met uitzondering van zakken, moeten in het geval van vloeistoffen tot ten minste 98% van hun maximale inhoud en in het geval van vaste stoffen tot ten minste 95% van de inhoud zijn gevuld.

Zakken moeten worden gevuld tot de maximale massa waarvoor ze mogen worden gebruikt.

Bij samengestelde verpakkingen, waarbij de binnenverpakking bestemd is voor het vervoer van vloeistoffen of vaste stoffen, zijn afzonderlijke beproevingen vereist voor de vaste en voor de vloeibare inhoud.

De in de verpakkingen te vervoeren stoffen of voorwerpen mogen worden vervangen door andere stoffen of voorwerpen, tenzij de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten hierdoor worden verminderd.

Indien voor de beproevingen de te vervoeren vaste stoffen worden vervangen door een andere stof, dan moet deze dezelfde fysische eigenschappen (massa, korrelgrootte, etc.) bezitten als de te vervoeren stof.

Het is toegestaan om ter verkrijging van de vereiste totale massa van het collo andere materialen erbij te gebruiken, zoals zakken met loodkorrels, mits zij zodanig worden geplaatst dat de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet wordt verminderd.

 

6.1.5.2.2

Indien voor valproeven met vloeistoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet deze een relatieve dichtheid en viscositeit hebben, die overeenkomen met die van de te vervoeren stof.

Water mag ook worden gebruikt voor deze valproeven onder de in 6.1.5.3.5 vastgestelde voorwaarden.

 

6.1.5.2.3

Verpakkingen van papier of karton moeten ten minste 24 uur worden geconditioneerd in een klimaat waarbij relatieve vochtigheid en temperatuur beheerst worden.

Er zijn drie mogelijkheden, waarvan één gekozen moet worden.

De voorkeur bij deze conditionering gaat uit naar 23 oC ± 2 oC voor de temperatuur en 50% ± 2% voor de relatieve vochtigheid.

De twee andere mogelijkheden zijn: 20 oC ± 2 oC voor de temperatuur en 65% ± 2% voor de relatieve vochtigheid, of 27 oC ± 2 oC voor de temperatuur en 65% ± 2% voor de relatieve vochtigheid.

Opmerking: De gemiddelde waarden moeten liggen tussen deze grenswaarden.

Fluctuaties van korte duur en beperkingen inherent aan de metingen kunnen aanleiding geven tot verschillen in de afzonderlijke meetwaarden tot ± 5% voor de relatieve vochtigheid, zonder dat dit een belangrijk effect heeft op de reproduceerbaarheid van de beproevingsresultaten.

 

6.1.5.2.4

Gereserveerd

 

6.1.5.2.5

Vaten en jerrycans van kunststof volgens 6.1.4.8 en, voor zover noodzakelijk, combinatieverpakkingen (kunststof) volgens 6.1.4.19 moeten, ten bewijze dat de chemische bestendigheid tegenover vloeistoffen voldoende is, worden onderworpen aan een 6 maanden durende opslag bij omgevingstemperatuur; gedurende deze periode moeten de monsters voor de beproeving gevuld blijven met de stoffen voor het vervoer waarvan zij bestemd zijn.

Tijdens de eerste en laatste 24 uren van de opslag moeten de monsters voor de beproeving met de sluiting naar beneden opgesteld worden. Verpakkingen met een ontluchtingsinrichting echter moeten in beide gevallen slechts gedurende 5 minuten aldus worden opgesteld.

Na deze opslag moeten de monsters worden onderworpen aan de beproevingen zoals bedoeld in 6.1.5.3 t/m 6.1.5.6.

Bij binnenhouders van combinatieverpakkingen (kunststof) is het niet noodzakelijk het bewijs van chemische bestendigheid te leveren, indien bekend is, dat de mechanische eigenschappen van de kunststof niet merkbaar veranderen onder invloed van de stof in de houder.
Onder een merkbare verandering van de mechanische eigenschappen wordt verstaan:

  1. een duidelijk bros worden van het materiaal;
  2. een aanzienlijke verlaging van de vloeigrens, tenzij deze gepaard gaat met een ten minste evenredige verhoging van de rek bij de vloeigrens.

Indien het gedrag van het kunststof materiaal volgens een andere methode is vastgesteld, behoeft de hierboven aangegeven beproeving van de chemische bestendigheid niet te worden uitgevoerd.

Dergelijke methoden moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan bovengenoemde beproeving van chemische bestendigheid en zij moeten door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

Opmerking: Zie voor vaten en jerrycans van kunststof en combinatieverpakkingen (kunststof), vervaardigd van polyetheen, ook hierna onder 6.1.5.2.6.

 

6.1.5.2.6

In geval van vaten en jerrycans van polyetheen overeenkomstig 6.1.4.8 en, voor zover noodzakelijk, van combinatieverpakkingen van polyetheen overeenkomstig 6.1.4.19, kan de chemische bestendigheid tegen de te bevatten vloeistoffen, geassimileerd in overeenstemming met 4.1.1.21 als volgt met standaardvloeistoffen worden aangetoond (zie 6.1.6).

De standaardvloeistoffen zijn representatief voor de afbraakprocessen bij polyetheen, zoals verweking door opzwelling, spanningscorrosie, moleculaire degradatie en combinaties daarvan.

Het bewijs van voldoende chemische bestendigheid van deze verpakkingen kan worden geleverd door een opslagproef van de vereiste proefmonsters met de betreffende standaardvloeistof(fen) gedurende 3 weken bij 40 °C; indien water als standaardvloeistof is aangegeven, is opslag in overeenstemming met deze procedure niet nodig.

Opslag is ook niet vereist voor proefmonsters die worden gebruikt voor de stapelproef in het geval van de standaardvloeistoffen "oplossing van oppervlakteactieve stof" en "azijnzuur.

Tijdens de eerste en laatste 24 uren van de opslag moeten de proefmonsters met de sluiting naar beneden opgesteld worden. Verpakkingen met een ontluchtingsinrichting echter moeten in beide gevallen slechts gedurende 5 minuten op bovengenoemde wijze worden opgesteld. Na deze opslag moeten de proefmonsters de beproevingen als bedoeld in 6.1.5.3 t/m 6.1.5.6 ondergaan.

Voor tert-butylhydroperoxide met een peroxidegehalte van meer dan 40% alsmede voor peroxyazijnzuren van klasse 5.2 mag de beproeving van de chemische bestendigheid niet met standaardvloeistoffen worden uitgevoerd.

Voor deze stoffen moet het bewijs van voldoende chemische bestendigheid van de proefmonsters worden geleverd door een zes maanden durende opslag bij omgevingstemperatuur met de stoffen voor het vervoer waarvan zij bestemd zijn.

De resultaten van de procedure van deze paragraaf met verpakkingen van polyetheen kunnen worden goedgekeurd voor een vergelijkbaar ontwerptype, waarvan het binnenoppervlak gefluoreerd is.

 

6.1.5.2.7

Voor verpakkingen, vervaardigd van polyetheen zoals gespecificeerd in 6.1.5.2.6, die de in 6.1.5.2.6 vermelde beproeving hebben doorstaan, kunnen ook andere vulstoffen dan de volgens 4.1.1.21 geassimileerde stoffen worden goedgekeurd.

Een dergelijke goedkeuring moet worden gebaseerd op laboratoriumproeven die, met inachtneming van de desbetreffende afbraakprocessen, aantonen dat het effect van dergelijke vulstoffen op de proefmonsters minder is dan dat van de toepasselijke standaardvloeistof(fen).

Met betrekking tot de relatieve dichtheid en dampdruk zijn dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke in 4.1.1.21.2 zijn uiteengezet.

 

 

6.1.5.2.8

Voor zover de mechanische eigenschappen van kunststof binnenverpakkingen niet merkbaar veranderen onder invloed van de stof in de verpakking, is het niet noodzakelijk het bewijs te leveren van voldoende chemische bestendigheid.

Onder een merkbare verandering van de mechanische eigenschappen wordt verstaan:

  1. een duidelijk bros worden van het materiaal;
  2. een aanzienlijke verlaging van de vloeigrens, tenzij deze gepaard gaat met een ten minste evenredige verhoging van de rek bij de vloeigrens.

 

6.1.5.3

Valproef

Zie ISO - Norm 2248.

 

6.1.5.3.1

Aantal monsters (per ontwerptype en per fabrikant) en opstelling van het monster voor de valproef.

Voor de valproeven, waarbij de monsters niet plat neerkomen, moet het zwaartepunt zich loodrecht boven het trefpunt bevinden.

Indien meer dan één oriëntatierichting mogelijk is voor een gegeven valproef, dan moet de oriëntatierichting worden gekozen, waarvoor de kans van bezwijken van de verpakking het grootst is.

Verpakking Aantal monsters per proef Opstelling van het monster voor de proef

a)

  • Stalen vaten
  • Aluminium vaten
  • Stalen jerrycans
  • Vaten uit een ander metaal dan staal of aluminium
  • Aluminium jerrycans
  • Vaten van gelamineerd hout
  • Kartonnen vaten
  • Vaten en jerrycans van kunststof
  • Vaten en jerrycans van kunststof
  • Combinatieverpakkingen in de vorm van vaten
  • Lichte metalen verpakkingen
Zes
(drie voor elke valproef)
Eerste valproef (met drie monsters):
De verpakking moet diagonaal op de trefplaat vallen op de bodemrand of, indien zij geen rand bezit, op een rondnaad of op de bodemkant
Tweede valproef (met drie andere monsters):
De verpakking moet vallen op de zwakste plaats die bij de eerste valproef niet is beproefd, bijvoorbeeld op een sluiting of, in het geval van bepaalde cilindrische vaten, op de gelaste lengtenaad van de romp

b)

Kisten van

  • natuurlijk hout
  • - gelamineerd hout
  • - houtvezelmateriaal
  • - karton
  • - kunststof
  • - staal of aluminium

Combinatieverpakkingen in de vorm van kisten

Vijf
(één voor elke valproef)

Eerste valproef: plat op de bodem

Tweede valproef: plat op het bovendeel

Derde valproef: plat op de lengte zijde

Vierde valproef: plat op de dwarszijde

Vijfde valproef: op een hoek

c)
Zakken - met één laag, met een zijnaad
Drie
(drie valproeven per zak)
Eerste valproef: plat op een brede zijde van de zak Tweede valproef: plat op een smalle zijde van de zak Derde valproef: op de bodem van de zak
d)
Zakken - met één laag, zonder zijnaad, of met meer dan één laag
Drie
(twee valproeven per zak)
Eerste valproef: plat op een brede zijde van de zak Tweede valproef: op de bodem van de zak
e)
Combinatieverpakkingen (glas, porselein, aardewerk), gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig
6.1.3.1 a)ii), in de vorm van vaten of kisten
Drie
(één voor elke valproef)
De verpakking moet diagonaal op de trefplaat vallen op de bodemrand of, indien zij geen rand bezit, op een rondnaad of op de bodemkant

 

 

6.1.5.3.2

Bijzondere voorbereiding van de monsters voor de valproef
Bij de hierna opgesomde verpakkingen moet het monster en de inhoud daarvan worden geconditioneerd bij een temperatuur van - 18 oC of lager:

  1. kunststof vaten (zie 6.1.4.8)
  2. kunststof jerrycans (zie 6.1.4.8)
  3. dozen van kunststof, met uitzondering van dozen van geëxpandeerde kunststof (zie 6.1.4.13)
  4. combinatieverpakkingen (kunststof) (zie 6.1.4.19) en
  5. samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van kunststof, met uitzondering van zakken en zakjes van kunststof bestemd voor vaste stoffen of voorwerpen.

Indien de proefmonsters op deze wijze worden geconditioneerd, is het niet nodig de in 6.1.5.2.3 voorgeschreven conditionering uit te voeren. De vloeistoffen, die voor de beproeving dienen, moeten, zonodig door toevoeging van antivries, in vloeibare toestand worden gehouden.

 

6.1.5.3.3

Verpakkingen met afneembaar deksel voor vloeistoffen mogen binnen 24 uur na het vullen en sluiten niet aan de valproef worden onderworpen teneinde rekening te houden met een mogelijkheid van relaxatie van de pakking.

 

6.1.5.3.4

Trefplaat
De trefplaat moet een niet-veerkrachtig en horizontaal oppervlak zijn en moet:

  • één geheel zijn en massief genoeg om onbeweegbaar te zijn;
  • vlak zijn, met een oppervlak dat vrij wordt gehouden van plaatselijke gebreken, die mogelijk de beproevingsresultaten kunnen beïnvloeden;
  • stijf genoeg zijn om niet te worden vervormd onder beproevingsomstandigheden of niet te kunnen worden beschadigd door de beproevingen; en
  • groot genoeg zijn om te garanderen dat het te beproeven collo in zijn geheel op het oppervlak valt.

 

6.1.5.3.5

Valhoogte
Bij vaste stoffen en vloeistoffen, indien de beproeving wordt uitgevoerd met de te vervoeren vaste stof of vloeistof, of met een andere stof die in essentie dezelfde fysische eigenschappen heeft: 

Verpakkingsgroep I Verpakkingsgroep II Verpakkingsgroep III
1,8 m 1,2 m 0,8 m

Bij vloeistoffen in enkelvoudige verpakkingen en bij binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen, indien de beproeving wordt uitgevoerd met water:

Opmerking: De term water omvat oplossingen van water/antivries met een minimale relatieve dichtheid van 0,95 voor beproeving bij – 18 °C.

  1. voor te vervoeren stoffen, waarvan de relatieve dichtheid 1,2 niet overschrijdt:
Verpakkingsgroep I Verpakkingsgroep II Verpakkingsgroep III
1,8 m 1,2 m 0,8 m
  1. voor te vervoeren stoffen, waarvan de relatieve dichtheid 1,2 overschrijdt, moet de valhoogte op de volgende wijze worden berekend op grond van de relatieve dichtheid (d) van de te vervoeren stof, naar boven afgerond op de eerste decimaal:
Verpakkingsgroep I Verpakkingsgroep II Verpakkingsgroep III
d x 1,5 (m) d x 1,0 (m) d x 0,67 (m)
  1. bij lichte metalen verpakkingen, gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii),bestemd voor het vervoer van stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 oC hoger is dan 200 mm2/s (dit komt overeen met een uitlooptijd van 30 seconden uit een genormaliseerde ISO-cup met een uitloopdiameter van 6 mm volgens ISO-norm 2431-1993),

    1. en waarvan de relatieve dichtheid niet hoger is dan 1,2:
Verpakkingsgroep II Verpakkingsgroep III
0,6 m 0,4
    1. voor te vervoeren stoffen, waarvan de relatieve dichtheid 1,2 overschrijdt, moet de valhoogte op de volgende wijze worden berekend op grond van de relatieve dichtheid (d) van de te vervoeren stof, naar boven afgerond op de eerste decimaal
Verpakkingsgroep II Verpakkingsgroep III
d x 0,5 (m) d x 0,33 (m)

 

6.1.5.3.6

Criteria voor een voldoende beproevingsresultaat

6.1.5.3.6.1

Elke verpakking met vloeibare inhoud moet dicht zijn, nadat er een evenwicht is bewerkstelligd tussen de druk binnen en buiten de verpakking; het is evenwel niet noodzakelijk dat het verschil tussen de druk binnen en buiten de verpakking wordt opgeheven als het gaat om binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen of om binnenhouders van combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1a) (ii).

 

6.1.5.3.6.2

Indien een verpakking voor vaste stoffen is onderworpen aan een valproef en indien zij de trefplaat met de bovenzijde geraakt heeft, dat heeft het monster de beproeving doorstaan, indien de inhoud volledig in een binnenverpakking of binnenhouder (bijvoorbeeld een kunststof zak) is gebleven, ook al is de sluiting, met behoud van haar functie van opsluiten, niet meer stofdicht.

 

6.1.5.3.6.3

De verpakking of de buitenverpakking van een combinatieverpakking of een samengestelde verpakking mag geen enkele beschadiging vertonen die mogelijk de veiligheid tijdens het vervoer beïnvloedt.

Binnenhouders, binnenverpakkingen of voorwerpen moeten volledig binnen de buitenverpakking blijven en er mag geen lekkage zijn van de inhoud uit de binnenhouder(s) of de binnenverpakking(en).

 

6.1.5.3.6.4

De buitenste laag van een zak noch een buitenverpakking mag beschadigingen vertonen, die de veiligheid van het vervoer in gevaar kunnen brengen.

 

6.1.5.3.6.5

Een zeer gering verlies van de inhoud via de sluiting(en) tijdens het treffen mag niet worden beschouwd als een falen van de verpakking, onder voorwaarde dat er geen verdere lekkage optreedt.

 

6.1.5.3.6.6

Verpakkingen voor goederen van klasse 1 mogen geen breuk vertonen, die het uit de buitenverpakking treden van vrijgekomen ontplofbare stoffen of voorwerpen mogelijk maakt.

 

6.1.5.4

Dichtheidsproef
De dichtheidsproef moet worden uitgevoerd bij alle ontwerptypen van verpakkingen die zijn bestemd voor vloeistoffen; deze beproeving is echter niet nodig bij:

  • binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen;
  • binnenhouders van combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii);
  • lichte metalen verpakkingen, gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii), bestemd voor stoffen waarvan de viscositeit bij 23 oC meer dan 200 mm2/s bedraagt.

 

6.1.5.4.1

Aantal monsters voor de beproeving: Drie monsters per ontwerptype en per fabrikant.

 

6.1.5.4.2

Bijzondere voorbereiding van de monsters voor de beproeving:

Sluitingen die voorzien zijn een ontluchtingsinrichting, moeten worden vervangen door daarmee overeenkomende sluitingen zonder ontluchtingsinrichting, of de ontluchtingsinrichting moet hermetisch worden gesloten.

 

6.1.5.4.3

Beproevingsmethode en toe te passen beproevingsdruk: De proefmonsters moeten met inbegrip van hun sluitingen gedurende 5 minuten onder water worden gehouden, terwijl zij worden blootgesteld aan inwendige luchtdruk; de wijze waarop zij onder water worden gehouden, mag de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet verminderen.

De toe te passen luchtdruk (overdruk) moet zijn:

Verpakkingsgroep I Verpakkingsgroep II Verpakkingsgroep III
ten minste 30 kPa (0,3 bar) ten minste 20 kPa (0,2 bar) ten minste 20 kPa (0,2 bar)

Andere, ten minste even doelmatige methoden mogen ook worden gebruikt. 

 

6.1.5.4.4

Criterium voor een voldoende beproevingsresultaat:

Geen enkele lekkage mag worden waargenomen. 

 

6.1.5.5

Beproeving met inwendige druk (hydraulische proefpersing)

6.1.5.5.1

Te beproeven verpakkingen:

De hydraulische proefpersing moet worden uitgevoerd bij alle ontwerptypen van verpakkingen van staal, aluminium, kunststof en combinatieverpakkingen, bestemd voor vloeistoffen; deze beproeving is echter niet nodig bij:

  • binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen;
  • binnenhouders van combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1a) ii);
  • lichte metalen verpakkingen, gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii), bestemd voor stoffen waarvan de viscositeit bij 23 oC meer dan 200 mm2/s bedraagt.

 

6.1.5.5.2

Aantal monsters voor de beproeving:

Drie proefmonsters per ontwerptype en per fabrikant.

 

6.1.5.5.3

Bijzondere voorbereiding van de verpakkingen voor de beproeving:

Sluitingen die voorzien zijn een ontluchtingsinrichting, moeten worden vervangen door daarmee overeenkomende sluitingen zonder ontluchtingsinrichting, of de ontluchtingsinrichting moet hermetisch worden gesloten.

 

6.1.5.5.4

Beproevingsmethode en toe te passen druk: Metalen verpakkingen en combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), met inbegrip van hun sluitingen, moeten gedurende 5 minuten aan de beproevingsdruk worden onderworpen. Kunststof verpakkingen en combinatieverpakkingen (kunststof), met inbegrip van hun sluitingen, moeten gedurende 30 minuten worden onderworpen aan de beproevingsdruk.

Deze druk is de druk die overeenkomstig 6.1.3.1 d) in het kenmerk moet zijn aangegeven.

De wijze van ondersteuning van de verpakkingen mag de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet verminderen. De beproevingsdruk moet continu en zonder stoten worden opgevoerd; tijdens de gehele duur van de beproeving moet de druk constant worden gehouden.

De toe te passen hydraulische druk (overdruk), zoals bepaald volgens een van de volgende methoden, mag niet lager zijn dan:

  1. de totale overdruk, gemeten in de verpakking (d.w.z. dampdruk van de vloeistof in de verpakking plus partiële druk van lucht of andere inerte gassen, minus 100 kPa) bij 55 oC vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 1,5; bij de bepaling van deze totale overdruk moet uitgegaan worden van een hoogste vullingsgraad volgens 4.1.1.4 en een vultemperatuur van 15 oC; of
  2. 1,75 maal de dampdruk bij 50 oC van de te vervoeren vloeistof, minus 100 kPa; de beproevingsdruk moet evenwel ten minste 100 kPa bedragen; of
  3. 1,5 maal de dampdruk bij 55 oC van de te vervoeren vloeistof, minus 100 kPa; de beproevingsdruk moet evenwel ten minste 100 kPa bedragen.

 

6.1.5.5.5

Bovendien moeten verpakkingen, bestemd voor vloeistoffen van verpakkingsgroep I, beproefd worden met een beproevingsdruk van ten minste 250 kPa (overdruk) gedurende 5 of 30 minuten, afhankelijk van het materiaal waaruit de verpakking is vervaardigd.

 

6.1.5.5.6

Criterium voor een voldoende beproevingsresultaat:

Geen enkele verpakking mag lekken.

 

6.1.5.6

Stapelproef
De stapelproef moet worden uitgevoerd bij alle ontwerptypen van verpakkingen met uitzondering van zakken en met uitzondering van niet-stapelbare combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), gekenmerkt met het symbool “RID/ADR” overeenkomstig 6.1.3.1 a) ii).

 

6.1.5.6.1

Aantal monsters voor de beproeving:

Drie monsters per ontwerptype en per fabrikant.

 

6.1.5.6.2

Beproevingsmethode:

Het proefmonster moet aan een kracht worden blootgesteld, die wordt uitgeoefend op het bovenoppervlak van het monster en die overeenkomt met de totale massa van identieke colli, die tijdens het vervoer daarop gestapeld zouden kunnen worden; indien de inhoud van het proefmonster een vloeistof is met een relatieve dichtheid, die verschilt van die van de te vervoeren vloeistof, moet de kracht worden berekend als functie van laatstgenoemde vloeistof.

De stapelhoogte moet ten minste 3 meter bedragen, waarbij het proefmonster is inbegrepen.

De beproeving moet 24 uur duren, behalve bij vaten en jerrycans van kunststof of combinatieverpakkingen 6HH1 en 6HH2, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen; deze verpakkingen moeten gedurende 28 dagen bij een temperatuur van ten minste 40 oC aan de stapelproef worden onderworpen.
Bij de beproeving volgens 6.1.5.2.5 moet de originele in de verpakking toe te laten stof worden gebruikt. Bij de beproeving volgens 6.1.5.2.6 moet de stapelproef worden uitgevoerd met een standaardvloeistof.

 

6.1.5.6.3

Criteria voor een voldoende beproevingsresultaat:

Geen enkel monster mag lekken. Bij combinatieverpakkingen en samengestelde verpakkingen mag geen enkele lekkage naar buiten van de inhoud van de binnenhouder of binnenverpakking optreden. Geen enkel monster mag beschadigingen vertonen, die de veiligheid van het vervoer in gevaar kunnen brengen, of vervormingen, die mogelijk de sterkte verminderen of kunnen leiden tot een gebrekkige stabiliteit, in geval van stapeling van de verpakkingen.

Kunststof verpakkingen moeten vóór de beoordeling van het resultaat tot kamertemperatuur worden afgekoeld.

 

6.1.5.7

Aanvullende beproeving van permeatie bij vaten en jerrycans van kunststof volgens 6.1.4.8 en combinatieverpakkingen (kunststof) volgens 6.1.4.19, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen met een vlampunt o60 oC, met uitzondering van de verpakkingen 6HA1

Bij verpakkingen van polyetheen moet deze beproeving alleen worden uitgevoerd, wanneer deze moeten worden goedgekeurd voor het vervoer van benzeen, tolueen, xyleen of mengsels en preparaten, die deze stoffen bevatten.

 

6.1.5.7.1

Aantal monsters voor de beproeving:

Drie verpakkingen per ontwerptype en per fabrikant.

 

6.1.5.7.2

Bijzondere voorbereiding van de monsters voor de beproeving:

Vóór de beproeving moeten de monsters worden opgeslagen met de originele in de verpakking toe te laten stof volgens 6.1.5.2.5, of, in het geval van verpakkingen van polyetheen, met de standaardvloeistof koolwaterstofmengsel (white spirit) volgens 6.1.5.2.6.

 

6.1.5.7.3

Beproevingsmethode:

De monsters voor de beproeving, gevuld met de stof waarvoor de verpakking eventueel zal worden goedgekeurd, moeten vóór en na de opslag van 28 dagen bij 23 oC en een relatieve luchtvochtigheid van 50% worden gewogen.

In geval van verpakkingen van polyetheen mag de beproeving in plaats van met benzeen, tolueen of xyleen worden uitgevoerd met de standaardvloeistof koolwaterstofmengsel (white spirit).

 

6.1.5.7.4

Criterium voor een voldoende beproevingsresultaat:

De permeatie mag niet meer bedragen dan 0,008 g/l.h.

 

6.1.5.8

Beproevingsrapport

 

6.1.5.8.1

Van de beproeving moet een beproevingsrapport opgemaakt worden, dat ten minste de volgende gegevens moet bevatten en dat aan de gebruikers van de verpakking ter beschikking moet staan:

  1. Naam en adres van de beproevingsinstelling;
  2. Naam en adres van de opdrachtgever (indien nodig);
  3. Uniek identificatienummer van het beproevingsrapport;
  4. Datum van het beproevingsrapport;
  5. Fabrikant van de verpakking;
  6. Beschrijving van het ontwerptype van de verpakking (bijv. afmetingen, materialen, sluitingen, wanddikte, enz.) met inbegrip van de wijze van fabricage (bijv. extrusie-blaasvormen) en eventueel met tekening(en) en/of foto’s;
  7. Grootste inhoud;
  8. Eigenschappen van de voor de beproeving gebruikte inhoud, bijv. viscositeit en relatieve dichtheid bij vloeistoffen en deeltjesgrootte bij vaste stoffen. Voor kunststof verpakkingen die worden onderworpen aan de beproeving met inwendige druk volgens 6.1.5.5, de temperatuur van het gebruikte water;
  9. Beschrijving en resultaten van de beproevingen;
  10. Het beproevingsrapport moet zijn ondertekend met de naam en de functionele benaming van de ondertekenaar.

 

6.1.5.8.2

Het beproevingsrapport moet een verklaring bevatten dat de verpakking, als voor verzending gereedgemaakt, is beproefd in overeenstemming met de overeenkomstige voorschriften van deze sectie en dat dit beproevingsrapport door gebruik van andere verpakkingsmethoden of bestanddelen van de verpakking ongeldig kan worden.

Een exemplaar van het beproevingsrapport moet beschikbaar zijn voor de bevoegde autoriteit.

 

6.1.6

Standaardvloeistoffen voor het aantonen van de chemische bestendigheid van verpakkingen, met inbegrip van IBC’s, van polyetheen, volgens respectievelijk 6.1.5.2.6 en 6.5.6.3.5.

 

6.1.6.1

De volgende standaardvloeistoffen worden voor deze kunststof gebruikt:

  1. Oplossing van oppervlakteactieve stof, voor stoffen die in sterke mate aanleiding geven tot spanningscorrosie van het polyetheen, in het bijzonder voor alle oplossingen en preparaten met oppervlakteactieve stoffen.

    Een waterige oplossing van 1% van een alkylbenzeensulfonaat moet worden gebruikt, of een waterige oplossing van 5% van nonylfenolethoxylaat, die, voordat deze voor de eerste keer gebruikt wordt voor de beproevingen, gedurende ten minste 14 dagen is opgeslagen bij een temperatuur van 40 °C. De oppervlaktespanning van deze oplossing moet bij 23 oC 3135 mN/m bedragen.

    De stapelproef moet worden uitgevoerd uitgaande van een relatieve dichtheid van ten minste 1,2.

    Indien een voldoende chemische bestendigheid is aangetoond met een oplossing van een oppervlakteactieve stof, is een bestendigheidsproef met azijnzuur niet vereist.

    In geval van stoffen die in sterkere mate aanleiding geven tot spanningscorrosie van het polyetheen dan oplossingen van een oppervlakteactieve stof, kan een voldoende chemische bestendigheid worden aangetoond na een voorafgaande opslag van drie weken bij 40 oC, volgens 6.1.5.2.6 maar met de originele stof.

  2. Azijnzuur, voor stoffen en preparaten, die aanleiding geven tot spanningscorrosie van het polyetheen, in het bijzonder voor monocarbonzuren en eenwaardige alcoholen.

    Azijnzuur met een concentratie van 98100% en een relatieve dichtheid van 1,05 moet worden gebruikt.

    De stapelproef moet worden uitgevoerd uitgaande van een relatieve dichtheid van ten minste 1,1.

    In geval van stoffen die polyetheen sterker doen zwellen dan azijnzuur en wel zodanig dat de massa van het polyetheen met maximaal 4% toeneemt, kan een voldoende chemische bestendigheid worden aangetoond na een voorafgaande opslag van drie weken bij 40 oC, volgens 6.1.5.2.6 maar met de originele stof.

  3. n-Butylacetaat/oplossing van oppervlakte-actieve stof, verzadigd met n-butylacetaat, voor stoffen en preparaten, die polyetheen zodanig doen zwellen, dat de massa van het polyetheen met maximaal ongeveer 4% toeneemt en die tegelijkertijd spanningscorrosie veroorzaken, in het bijzonder voor gewasbeschermingsproducten, vloeibare verven en esters. n-Butylacetaat met een concentratie van 98-100% moet worden gebruikt voor de opslag gedurende drie weken volgens 6.1.5.2.6.

    Voor de stapelproef volgens 6.1.5.6 moet een proefvloeistof worden gebruikt die bestaat uit een waterige oplossing van 1-10% van een oppervlakteactieve stof, gemengd met 2% n-butylacetaat, volgens letter a) hierboven.

    De stapelproef moet worden uitgevoerd uitgaande van een relatieve dichtheid van ten minste 1,0.

    In geval van stoffen die polyetheen sterker doen zwellen dan n-butylacetaat en wel zodanig dat de massa van het polyetheen met maximaal 7,5% toeneemt, kan een voldoende chemische bestendigheid worden aangetoond na een voorafgaande opslag van drie weken bij 40 oC, volgens 6.1.5.2.6 maar met de originele stof.

  4. Koolwaterstofmengsel (white spirit), voor stoffen en preparaten met een zwellende werking op polyetheen, in het bijzonder voor koolwaterstoffen, esters en ketonen.

    Er moet gebruikgemaakt worden van een koolwaterstofmengsel met een kooktraject van 160 oC t/m 220 oC, een relatieve dichtheid van 0,78 t/m 0,80, een vlampunt hoger dan 50 oC en een aromaatgehalte van 16% t/m 21%.

    De stapelproef moet worden uitgevoerd uitgaande van een relatieve dichtheid van ten minste 1,0.

    In het geval van stoffen, waarvan de zwellende werking op polyetheen zodanig is, dat de massa van het polyetheen met meer dan 7,5% toeneemt, kan een voldoende chemische bestendigheid worden aangetoond na een voorafgaande opslag van drie weken bij 40 oC, volgens 6.1.5.2.6 maar met de originele stof.

  5. Salpeterzuur, voor alle stoffen en preparaten, die een oxiderende werking hebben op polyetheen of moleculaire degradatie veroorzaken identiek aan of zwakker dan salpeterzuur 55%.

    Salpeterzuur met een concentratie van ten minste 55% moet worden gebruikt.

    De stapelproef moet worden uitgevoerd uitgaande van een relatieve dichtheid van ten minste 1,4.

    In geval van stoffen met een oxiderende werking sterker dan van salpeterzuur 55% of die de moleculaire massa afbreken, moet te werk worden gegaan volgens 6.1.5.2.5.

    Bovendien moet in deze gevallen de gebruiksduur, met inachtneming van de mate van beschadiging, worden vastgesteld (bijv. 2 jaar voor salpeterzuur met een concentratie van ten minste 55%).

  6. Water, voor stoffen die polyetheen niet op één van de onder a) t/m e) beschreven wijzen aantasten, in het bijzonder voor anorganische zuren en logen, waterige zoutoplossingen, polyalcoholen en organische stoffen in waterige oplossing.

    De stapelproef moet worden uitgevoerd uitgaande van een relatieve dichtheid van ten minste 1,2.

    Een beproeving van het ontwerptype met water is niet vereist indien is aangetoond dat de chemische bestendigheid met oplossing van oppervlakteactieve stof of met salpeterzuur voldoende is.

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief