ADR Digitaal

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.2
Klasse 2 - Gassen

 

2.2.2

Klasse 2 Gassen

2.2.2.1

Criteria

2.2.2.1.1

De titel van klasse 2 omvat zuivere gassen, gasmengsels, mengsels van één of meer gassen met één of meer andere stoffen, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten.

Onder gassen worden stoffen verstaan, die

  1. bij 50 graden C een dampdruk hebben hoger dan 300 kPa (3 bar); of
  2. bij 20 graden C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig zijn.

Opmerking 1: UN 1052 FLUORWATERSTOF, WATERVRIJ, is echter een stof van klasse 8.

Opmerking 2: Een zuiver gas mag andere bestanddelen bevatten, die afkomstig zijn van het productieproces of die worden toegevoegd om de stabiliteit van het product te handhaven, onder voorwaarde dat de concentratie van deze bestanddelen niet de indeling of de vervoersvoorwaarden, zoals vullingsgraad, vuldruk of beproevingsdruk wijzigt.

Opmerking 3: De n.e.g.-posities in de subsectie 2.2.2.3 omvatten zowel zuivere gassen als gasmengsels.

 

2.2.2.1.2

De stoffen en voorwerpen van de klasse 2 zijn als volgt ingedeeld:

  1. Samengeperst gas: een gas dat, indien het voor vervoer onder druk is verpakt, bij -50 graden C geheel gasvormig is; deze categorie omvat alle gassen met een kritische temperatuur van tenhoogste -50 graden C;
  2. Vloeibaar gemaakt gas: een gas dat indien het voor vervoer onder druk is verpakt, bij temperaturen hoger dan -50 graden C gedeeltelijk vloeibaar is. Onderscheid wordt gemaakt tussen:
    • onder hoge druk vloeibaar gemaakt gas: een gas met een kritische temperatuur hoger dan -50 graden C en ten hoogste + 65 graden C; en
    • onder lage druk vloeibaar gemaakt gas: een gas met een kritische temperatuur boven + 65 graden C;
  3. Sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas: een gas dat, indien het verpakt is voor vervoer, vanwege zijn lage temperatuur gedeeltelijk vloeibaar is.
  4. Opgelost gas: een gas dat, indien het voor vervoer onder druk is verpakt, in een oplosmiddel in vloeibare fase is opgelost;
  5. Spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen);
  6. Andere voorwerpen, die gas onder druk bevatten;
  7. Drukloze gassen die aan bijzondere voorschriften onderworpen zijn (gasmonsters);
  8. Chemische stoffen onder druk: vloeibare, pasteuze of poedervormige stoffen, onder druk gezet met een voortdrijvende stof die voldoet aan de definitie van een samengeperst of vloeibaar gemaakt gas en mengsels daarvan.
  9. Geadsorbeerd gas: een gas dat, wanneer het ten vervoer wordt verpakt, op een vast en poreus materiaal wordt geadsorbeerd, resulterend in een inwendige druk in de houder van minder dan 101,3 kPa bij 20 °C en minder dan 300 kPa bij 50 °C.

 

2.2.2.1.3

De stoffen en voorwerpen (uitgezonderd spuitbussen en chemische stoffen onder druk) van klasse 2, zijn op grond van hun gevaarseigenschappen in één van de volgende groepen ingedeeld:

  • A verstikkend;
  • O oxiderend;
  • F brandbaar;
  • T giftig;
  • TF giftig, brandbaar;
  • TC giftig, bijtend;
  • TO giftig, oxiderend;
  • TFC giftig, brandbaar, bijtend;
  • TOC giftig, oxiderend, bijtend.

Indien gassen of gasmengsels volgens de criteria gevaarlijke eigenschappen bezitten, die verbonden zijn aan meer dan één groep, hebben groepen, aangeduid met letter T voorrang boven alle andere groepen. De groepen, aangeduid met letter F hebben voorrang boven de groepen, aangeduid met letters A of O.

Opmerking 1: In de VN-modelbepalingen, de IMDG Code en in de Technische instructies van de ICAO zijn de gassen op grond van hun overheersende gevaar in één van de volgende drie subklassen ingedeeld:

  • subklasse 2.1: brandbare gassen (komt overeen met de groepen, aangeduid met hoofdletter F).
  • subklasse 2.2: niet brandbare, niet giftige gassen (komt overeen met de groepen, aangeduid met hoofdletter A of O).
  • subklasse 2.3: giftige gassen (komt overeen met de groepen, aangeduid met hoofdletter T, d.w.z. T, TF, TC, TO, TFC en TOC).

Opmerking 2: Houders, klein, met gas (UN-nummer 2037) moeten overeenkomstig het gevaar van de inhoud in de groepen A t/m TOC worden ingedeeld. Voor spuitbussen (UN-nummer 1950, zie 2.2.2.1.6. Voor chemische stoffen onder druk (UN-nummers 3500 t/m 3505), zie 2.2.2.1.7.

Opmerking 3: Bijtende gassen worden als giftig beschouwd en zijn derhalve ingedeeld in de groepen TC, TFC of TOC.

 

2.2.2.1.4

Indien een in tabel A van hoofdstuk 3.2 met name genoemd mengsel van klasse 2 overeenkomt met andere criteria dan die, genoemd in 2.2.2.1.2 en 2.2.2.1.5, dan moet dit mengsel volgens die criteria worden ingedeeld en wel onder een geschikte n.e.g.-positie.

 

2.2.2.1.5

De stoffen en voorwerpen (uitgezonderd spuitbussen en chemische stoffen onder druk) die niet met name zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2 moeten volgens 2.2.2.1.2 en 2.2.2.1.3 worden ingedeeld in een in 2.2.2.3 vermelde verzamelaanduiding. De volgende criteria zijn van toepassing:

Verstikkende gassen
Niet oxiderende, niet brandbare en niet giftige gassen, die de zuurstof, welke gewoonlijk in de atmosfeer aanwezig is, verdunnen of verdringen.

Brandbare gassen
Gassen die bij 200C en de standaarddruk van 101,3 kPa

  1. in een mengsel van ten hoogste 13 vol.-% gas met lucht brandbaar zijn; of
  2. onafhankelijk van de onderste explosiegrens een explosiegebied met lucht bezitten van ten minste 12 %.

De brandbaarheid moet worden vastgesteld door beproevingen of door berekeningen volgens de methoden welke door de ISO zijn aanvaard (zie ISO-norm 10156:2010).

Indien voor de toepassing van deze methoden onvoldoende gegevens ter beschikking staan, mogen gelijkwaardige beproevingsmethoden, die door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst zijn erkend, worden toegepast.

Indien het land van herkomst geen Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR is, dan moeten deze methoden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR, die bij de zending betrokken is.

Oxiderende gassen
Gassen die, in het algemeen door het verschaffen van zuurstof, de verbranding van andere stoffen in sterkere mate kunnen veroorzaken of bevorderen dan lucht. Dit zijn zuivere gassen of gasmengsels met een oxiderende werking hoger dan 23,5%, bepaald volgens een methode aangegeven in ISO 10156:2010.

Giftige gassen
Opmerking: Gassen, die gedeeltelijk of volledig vanwege hun bijtende eigenschappen aan de criteria voor de giftigheid voldoen, moeten als giftig worden ingedeeld. Voor het mogelijke bijkomende gevaar van bijtende werking, zie ook de criteria onder de titel "Bijtende gassen".
Gassen waarvan,

  1. bekend is dat zij zo giftig of bijtend voor de mens zijn, dat zij een gevaar voor de gezondheid betekenen; of
  2. wordt aangenomen dat zij giftig of bijtend voor de mens zijn, omdat bij de proeven volgens 2.2.61.1 hun LC50-waarde voor de acute giftigheid lager dan of gelijk aan 5000 ml/m3 (ppm) is.

Voor de indeling van gasmengsels (met inbegrip van dampen van stoffen van andere klassen) mag de
volgende formule worden gebruikt:

 

2.2.2.1.5 1

waarin

  • fi = molaire fractie van de i-de component van het mengsel
  • Ti= giftigheidskengetal van de i-de component van het mengsel.De Ti-waarde is gelijk aan de LC50-waarde, aangegeven in verpakkingsinstructie P200 van 4.1.4.1.

    Is de LC50-waarde in verpakkingsinstructie P200 van 4.1.4.1 niet aangegeven, dan moet de in de
    wetenschappelijke literatuur aanwezige LC50-waarde worden gebruikt.

    Is de LC50-waarde niet bekend, dan wordt het giftigheidskengetal berekend uitgaande van de laagste
    LC50-waarde van stoffen met gelijksoortige fysiologische en chemische eigenschappen, of, als dit de
    enige praktische mogelijkheid is, door het uitvoeren van proeven.

Bijtende gassen
Gassen of gasmengsels, die volledig vanwege hun bijtende werking aan de criteria voor de giftigheid voldoen,
moeten als giftig met bijkomend gevaar bijtend worden ingedeeld.

Een gasmengsel, dat als giftig wordt beschouwd vanwege het gecombineerde effect van bijtende werking en
giftigheid, heeft als bijkomend gevaar de bijtende werking indien op grond van menselijke ervaring bekend is,
dat het mengsel een destructieve werking heeft op de huid, de ogen, of de slijmvliezen, of als de LC50-waarde
van de bijtende componenten van het mengsel, berekend volgens de volgende formule lager dan of gelijk aan
5000 ml/m3 (ppm) is:

2.2.2.1.5 2

waarin:

  • fci = molaire fractie van de i-de bijtende component van het mengsel
  • Tci = giftigheidskengetal van de i-de bijtende component van het mengsel.
    De Tci-waarde is gelijk aan de LC50-waarde, aangegeven in verpakkingsinstructie P200 van 4.1.4.1.

    Is de LC50-waarde in verpakkingsinstructie P200 van 4.1.4.1 niet aangegeven, dan moet de in de
    wetenschappelijke literatuur aanwezige LC50-waarde worden gebruikt.

    Is de LC50-waarde niet bekend, dan wordt het giftigheidskengetal berekend uitgaande van de laagste
    LC50-waarde van stoffen met gelijksoortige fysiologische en chemische eigenschappen, of, als dit de
    enige praktische mogelijkheid is, door het uitvoeren van proeven.

 

2.2.2.1.6

Spuitbussen

Spuitbussen (UN-nummer 1950) worden overeenkomstig hun gevaarseigenschappen als volgt in één van de
volgende groepen ingedeeld:

  • A verstikkend;
  • O oxiderend;
  • F brandbaar;
  • T giftig;
  • C bijtend;
  • CO bijtend, oxiderend;
  • FC brandbaar, bijtend;
  • TF giftig, brandbaar;
  • TC giftig, bijtend;
  • TO giftig, oxiderend;
  • TFC giftig, brandbaar, bijtend;
  • TOC giftig, oxiderend, bijtend.

De classificatie hangt af van de aard van de inhoud van de spuitbus.

Opmerking: Gassen die voldoen aan de definitie van giftige gassen volgens 2.2.2.1.5 en gassen die in noot c van tabel 2 van verpakkingsinstructie P200 in 4.1.4.1 als "Wordt beschouwd als pyrofoor" zijn aangemerkt, mogen in een spuitbus niet als drijfgas worden gebruikt. Spuitbussen met een inhoud die wat betreft giftigheid of bijtende eigenschappen aan de criteria voor verpakkingsgroep I voldoet, zijn niet ten vervoer toegelaten (zie ook 2.2.2.2.2).

De volgende criteria zijn van toepassing:

  1. Indeling in groep A is van toepassing indien de inhoud volgens de subparagrafen b) t/m f) hieronder niet aan de criteria voor enige andere groep voldoet;
  2. Indeling in groep O is van toepassing indien de spuitbus volgens 2.2.2.1.5 een oxiderend gas bevat;
  3. Indeling in groep F is van toepassing, indien de inhoud ten minste 85 massa-% brandbare bestanddelen bevat en de chemische verbrandingswarmte ten minste 30 kJ/g bedraagt. Indeling in groep F is niet van toepassing, indien de inhoud ten hoogste 1 massa-% brandbare bestanddelen bevat en de chemische verbrandingswarmte minder dan 20 kJ/g bedraagt. In andere gevallen moet de spuitbus overeenkomstig de in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 31 beschreven beproevingen op brandbaarheid worden beproefd. Spuitbussen met zeer brandbare en brandbare componenten moeten in groep F worden ingedeeld;

    Opmerking: Brandbare bestanddelen zijn brandbare vloeistoffen, brandbare vaste stoffen of de in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 31.1.3, Opmerking 1 tot en met 3 gedefinieerde brandbare gassen of gasmengsels. Onder deze aanduiding vallen pyrofore, voor zelfverhitting vatbare of met water reagerende stoffen niet. De chemische verbrandingswarmte moet door middel van een van de volgende methoden worden vastgesteld: ASTM D 240, ISO/FDIS 13943:1999 (E/F) 86.1 tot en met 86.3 of NFPA 30B;

  4. Indeling in groep T is van toepassing indien de inhoud, met uitzondering van het drijfgas van spuitbussen, wordt ingedeeld in klasse 6.1, verpakkingsgroep II of III;
  5. Indeling in groep C is van toepassing indien de inhoud, met uitzondering van het drijfgas van spuitbussen, voldoet aan de criteria voor klasse 8, verpakkingsgroep II of III;
  6. Indien aan de criteria voor meer dan één groep uit de groepen O, F, T en C voldaan wordt, is indeling in de desbetreffende groepen CO, FC, TF, TC, TO, TFC of TOC van toepassing.

 

2.2.2.1.7

Chemische stoffen onder druk


Chemische stoffen onder druk (UN-nummers 3500 t/m 3505) zijn op grond van hun gevaarseigenschappen in één van de volgende groepen ingedeeld:

  • A verstikkend;
  • F brandbaar;
  • T giftig;
  • C bijtend;
  • FC brandbaar, bijtend;
  • TF giftig, brandbaar.

De indeling hangt af van de gevaarskenmerken van de bestanddelen in de verschillende aggregatietoestanden:
voortdrijvende stof;

  • vloeistof; of
  • vaste stof.

Opmerking 1: Gassen die voldoen aan de definitie van giftige gassen of oxiderende gassen volgens 2.2.2.1.5 of gassen die in noot c van tabel 2 van verpakkingsinstructie P200 in 4.1.4.1 als "Wordt beschouwd als pyrofoor" zijn aangemerkt, mogen in chemische stoffen onder druk niet als voortdrijvende stof worden gebruikt.

Opmerking 2: Chemische stoffen onder druk met een inhoud die voldoet aan de criteria voor verpakkingsgroep I wat betreft giftigheid of bijtende werking of met een inhoud die voldoet aan zowel de criteria voor verpakkingsgroep II of III wat betreft giftigheid als de criteria voor verpakkingsgroep II of III wat betreft bijtende werking, zijn niet ten vervoer toegelaten onder deze UN-nummers.

Opmerking 3: Chemische stoffen onder druk met bestanddelen die de eigenschappen bezitten van klasse 1; vloeibare ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand van klasse 3; zelfontledende stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand van klasse 4.1; klasse 4.2; klasse 4.3; klasse 5.1; klasse 5.2; klasse 6.2; of klasse 7, zijn niet ten vervoer toegelaten onder deze UN-nummers.

Opmerking 4: Een chemische stof onder druk in een spuitbus moet onder UN-nummer 1950 worden vervoerd.
De volgende criteria zijn van toepassing:

  1. Indeling in groep A is van toepassing indien de inhoud volgens de subparagrafen b) t/m e) hieronder niet aan de criteria voor enige andere groep voldoet;
  2. indeling in groep F is van toepassing indien een van de bestanddelen, waarbij het om een zuivere stof of een mengsel kan gaan, als een brandbare stof moet worden geclassificeerd. Brandbare bestanddelen zijn brandbare vloeistoffen en vloeistofmengsels, brandbare vaste stoffen en vaste mengsels of brandbare gassen en gasmengsels die aan de volgende criteria voldoen:
    1. Een brandbare vloeistof is een vloeistof met een vlampunt van ten hoogste 93 C;
    2. Een brandbare vaste stof is een vaste stof die voldoet aan de criteria van 2.2.41.1;
    3. Een brandbaar gas is een gas dat voldoet aan de criteria van 2.2.2.1.5;
  3. Indeling in groep T is van toepassing indien de inhoud, met uitzondering van de voortdrijvende stof, wordt geclassificeerd als gevaarlijke goederen van klasse 6.1, verpakkingsgroep II of III;
  4. Indeling in groep C is van toepassing indien de inhoud, met uitzondering van de voortdrijvende stof, wordt geclassificeerd als gevaarlijke goederen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III;
  5. Indien aan de criteria voor twee groepen uit de groepen F, T en C wordt voldaan, is indeling in groep FC of TF van toepassing, naar gelang van het geval.

 

2.2.2.2

Niet ten vervoer toegelaten gassen

2.2.2.2.1

De chemisch instabiele stoffen van klasse 2 zijn niet ten vervoer toegelaten, tenzij de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om elke mogelijkheid van een gevaarlijke ontleding of polymerisatie, onder normale vervoersomstandigheden te verhinderen, of tenzij het vervoer plaatsvindt volgens bijzonder verpakkingsvoorschrift (r) van verpakkingsinstructie P200 (10) van 4.1.4.1 van het ADR, voor zover van toepassing. Voor de benodigde voorzorgsmaatregelen om polymerisatie te voorkomen, zie bijzondere bepaling 386 van hoofdstuk 3.3. Hiertoe moet er in het bijzonder voor worden zorg gedragen dat de houders en tanks geen stoffen bevatten die deze reacties kunnen bevorderen.

 

2.2.2.2.2

De volgende stoffen en mengsels zijn niet ten vervoer toegelaten:

  • UN 2186 WATERSTOFCHLORIDE (CHLOORWATERSTOF), STERK GEKOELD, VLOEIBAAR;
  • UN 2421 DISTIKSTOFTRIOXIDE;
  • UN 2455 METHYLNITRIET;
  • Sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen die niet onder classificatiecode 3 A, 3 O of 3 F kunnen worden ingedeeld;
  • Opgeloste gassen die niet onder één van de UN-nummers 1001, 2073 of 3318 kunnen worden ingedeeld.
  • Spuitbussen waarin als drijfgas gassen worden gebruikt die giftig zijn volgens 2.2.2.1.5 of pyrofoor volgens verpakkingsinstructie P200 in 4.1.4.1;
  • Spuitbussen met een inhoud die wat betreft giftigheid of bijtende eigenschappen aan de criteria voor verpakkingsgroep I voldoet (zie 2.2.61 en 2.2.8);
  • Houders, klein, met gas, die gassen bevatten die zeer giftig zijn (LC50-waarde lager dan 200 ppm) of pyrofoor volgens verpakkingsinstructie P200 in 4.1.4.1.

 

2.2.2.3

Lijst van verzamelaanduidingen

 

Samengeperste gassen
Classificatie
code
UN
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
1 A 1956 SAMENGEPERST GAS, N.E.G.
1 O 3156 SAMENGEPERST GAS, OXIDEREND, N.E.G.
1 F 1964 MENGSEL VAN KOOLWATERSTOFGASSEN, SAMENGEPERST, N.E.G.
1954 SAMENGEPERST GAS, BRANDBAAR, N.E.G.
1T 1955 SAMENGEPERST GAS, GIFTIG, N.E.G.
1 TF 1953 SAMENGEPERST GAS, GIFTIG, BRANDBAAR, N.E.G.
1 TC 3304 SAMENGEPERST GAS, GIFTIG, BIJTEND, N.E.G.
1 TO 3303 SAMENGEPERST GAS, GIFTIG, OXIDEREND, N.E.G.
1 TFC 3305 SAMENGEPERST GAS, GIFTIG, BRANDBAAR, BIJTEND, N.E.G.
1 TOC 3306 SAMENGEPERST GAS, GIFTIG, OXIDEREND, BIJTEND, N.E.G.

Vloeibaar gemaakte gassen
Classificatie-code UN
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
2 A 1058 VLOEIBAAR GEMAAKTE GASSEN, niet brandbaar, onder een atmosfeer van stikstof, kool(stof)dioxide of lucht
1078 KOELGAS, N.E.G. zoals mengsels van de met R       aangeduide gassen
die als:
mengsel F 1, bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 1,3 MPa (13 bar) en bij 50 °C een dichtheid niet lager dan die van dichloorfluormethaan (1,30 kg/l);
mengsel F 2, bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 1,9 MPa (19 bar) en bij 50 °C een dichtheid niet lager dan die van dichloordifluormethaan (1,21 kg/l)
mengsel F 3, bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 3 MPa (30 bar) en bij 50 °C een dichtheid niet lager dan die van chloordifluormethaan (1,09 kg/l)
Opmerking:
Trichloorfluormethaan (koelmiddel R 11), 1,1,2-trichloor-1,2,2-trifluor- ethaan (koelmiddel R 113), 1,1,1-trichloor-2,2,2-trifluorethaan (koelmiddel R 113a), 1-chloor-1,2,2-trifluorethaan (koelmiddel R 133) en 1-chloor- 1,1,2-trifluorethaan (koelmiddel R 133b) zijn geen stoffen van klasse 2. Zij kunnen evenwel bestanddeel zijn van de mengsels F 1 t/m F 3.
1968 INSECTICIDE, GAS, N.E.G.
3163 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, N.E.G.
2 O 3157 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, OXIDEREND, N.E.G.
2 F 1010 MENGSEL VAN BUTADIENEN EN KOOLWATERSTOF,
GESTABILISEERD, dat bij 70 °C een dampdruk bezit van ten hoogste 1,1 MPa (11 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,525 kg/l
Opmerking: Butadienen, gestabiliseerd, zijn ook ingedeeld onder UN- nummer 1010, zie hoofdstuk 3.2, tabel A.
1060 MENGSEL VAN METHYLACETYLEEN EN PROPADIEEN,
GESTABILISEERD zoals mengsel van methylacetyleen en propadieen met koolwaterstoffen, dat als:
mengsel P1, ten hoogste 63 vol.-% methylacetyleen en propadieen en ten hoogste 24 vol.-% propaan en propeen bevat; het gehalte verzadigde C4- koolwaterstoffen moet ten minste 14 vol.-% bedragen;
mengsel P2, ten hoogste 48 vol.- % methylacetyleen en propadieen en ten hoogste 50 vol.-% propaan en propeen bevat; het gehalte verzadigde C4- koolwaterstoffen moet ten minste 5 vol.-% bedragen,
alsmede mengsels van propadieen met 1 % t/m 4 % methylacetyleen
2 F 1965 MENGSEL VAN KOOLWATERSTOFGASSEN, VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.
zoals mengsels, die als:
mengsel A bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 1,1 MPa (11 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,525 kg/l;
mengsel A 01 bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 1,6 MPa (16 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,516 kg/l;
mengsel A 02 bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 1,6 MPa (16 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,505 kg/l;
mengsel A 0 bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 1,6 MPa (16 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,495 kg/l;
mengsel A 1 bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 2,1 MPa (21 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,485 kg/l;
mengsel B 1 bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 2,6 MPa (26 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,474 kg/l;
mengsel B 2 bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 2,6 MPa (26 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,463 kg/l;
mengsel B bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 2,6 MPa (26 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,450 kg/l;
mengsel C bij 70 °C een dampdruk bezitten van ten hoogste 3,1 MPa (31 bar) en bij 50 °C een dichtheid van ten minste 0,440 kg/l.
Opmerking 1: Als benaming van de stof voor bovengenoemde gasmengsels mogen ook de navolgende handelsnamen worden gebruikt: BUTAAN voor mengsels A, A 01, A 02 en A 0, en PROPAAN voor mengsel C.
Opmerking 2: Bij vervoer voorafgaand aan of aansluitend op zee- of luchtvervoer mag de positie 1075 PETROLEUMGASSEN, VLOEIBAAR GEMAAKT worden gebruikt in plaats van 1965 MENGSEL VAN KOOLWATERSTOFGASSEN, VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.
3354 INSECTICIDE, GAS, BRANDBAAR, N.E.G.
3161 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, BRANDBAAR, N.E.G.
2 T 1967 INSECTICIDE, GAS, GIFTIG, N.E.G.
3162 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, GIFTIG, N.E.G.
2 TF 3355 INSECTICIDE, GAS, GIFTIG, BRANDBAAR, N.E.G.
3160 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, GIFTIG, BRANDBAAR, N.E.G.
2 TC 3308 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, GIFTIG, BIJTEND, N.E.G.
2 TO 3307 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, GIFTIG, OXIDEREND, N.E.G.
2 TFC 3309 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, GIFTIG, BRANDBAAR, BIJTEND, N.E.G.
2 TOC 3310 VLOEIBAAR GEMAAKT GAS, GIFTIG, OXIDEREND, BIJTEND, N.E.G.

Sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen
Classificatie-
code
UN
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
3 A 3158 STERK GEKOELD, VLOEIBAAR GAS, N.E.G.
3 O 3311 STERK GEKOELD, VLOEIBAAR GAS, OXIDEREND, N.E.G.
3 F 3312 STERK GEKOELD, VLOEIBAAR GAS, BRANDBAAR, N.E.G.

Opgeloste gassen
Classificatie-
code
UN
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
4 Alleen die in hoofdstuk 3.2, tabel A, met name genoemde stoffen zijn ten vervoer toegelaten

Spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen)
Classificatie-
code
UN
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
5 1950 SPUITBUSSEN (AEROSOLEN)
2037 HOUDERS, KLEIN, MET GAS (GASPATRONEN) zonder aftapinrichting, niet hervulbaar

Andere voorwerpen, die gas onder druk bevatten
Classificatie-
Code
UN-
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
6A 2857 KOELMACHINES met niet brandbaar en niet giftig gas of ammoniakoplossing (UN 2672)
3164 VOORWERPEN ONDER PNEUMATISCHE DRUK (met niet brandbaar gas) of
3164
3538
VOORWERPEN ONDER HYDRAULISCHE DRUK (met brandbaar gas)
VOORWERPEN MET NIET BRANDBAAR, NIET GIFTIG GAS, N.E.G.
6F 3150 APPARATEN, KLEIN, MET KOOLWATERSTOFGAS of
3150 NAVULPATRONEN MET KOOLWATERSTOFGAS VOOR KLEINE
APPARATEN, met aftapinrichting
3478 PATRONEN VOOR BRANDSTOFCELLEN, die een vloeibaar gemaakt, brandbaar gas bevatten, of
3478 PATRONEN VOOR BRANDSTOFCELLEN IN APPARATUUR, die een
vloeibaar gemaakt, brandbaar gas bevatten, of
3478 PATRONEN VOOR BRANDSTOFCELLEN VERPAKT MET
APPARATUUR, die een vloeibaar gemaakt, brandbaar gas bevatten
3479 PATRONEN VOOR BRANDSTOFCELLEN, die waterstof in een metaalhydride bevatten, of
3479 PATRONEN VOOR BRANDSTOFCELLEN IN APPARATUUR, die
waterstof in een metaalhydride bevatten, of
3479 PATRONEN VOOR BRANDSTOFCELLEN VERPAKT MET
APPARATUUR, die waterstof in een metaalhydride bevatten
3529 VERBRANDINGSMOTOR, DOOR BRANDBAAR GAS AANGEDREVEN
of
3529 MOTOR, BRANDSTOFCEL, DOOR BRANDBAAR GAS AANGEDREVEN
of
3529 VERBRANDINGSMACHINES, DOOR BRANDBAAR GAS AANGEDREVEN of
3529
3537
MACHINES, BRANDSTOFCEL, DOOR BRANDBAAR BAS AANGEDREVEN
VOORWERPEN MET BRANDBAAR GAS, N.E.G.
6T 3539 VOORWERPEN MET GIFTIG GAS, N.E.G.

Gasmonsters
Classificatie-
code
UN-
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
7 F 3167 GASMONSTER, DRUKLOOS, BRANDBAAR, N.E.G., niet sterk gekoeld vloeibaar
7 T 3169 GASMONSTER, DRUKLOOS, GIFTIG, N.E.G., niet sterk gekoeld vloeibaar
7 TF 3168 GASMONSTER, DRUKLOOS, GIFTIG, BRANDBAAR, N.E.G., niet sterk
gekoeld vloeibaar

Chemische stoffen onder druk
Classificatie-
code
UN
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
8A 3500 CHEMISCHE STOF ONDER DRUK, N.E.G.
8 F 3501 CHEMISCHE STOF ONDER DRUK, BRANDBAAR, N.E.G.
8 T 3502 CHEMISCHE STOF ONDER DRUK, GIFTIG, N.E.G.
8 C 3503 CHEMISCHE STOF ONDER DRUK, BIJTEND,  N.E.G.
8 TF 3504 CHEMISCHE STOF ONDER DRUK, BRANDBAAR, GIFTIG, N.E.G.
8 FC 3505 CHEMISCHE STOF ONDER DRUK, BRANDBAAR, BIJTEND, N.E.G.

Geadsorbeerde gassen
Classificatie-
code
UN
Nr
BENAMING VAN DE STOF OF HET VOORWERP
9A 3511 GEADSORBEERD GAS, N.E.G.
9O 3513 GEADSORBEERD GAS, OXIDEREND, N.E.G.
9F 3510 GEADSORBEERD GAS, BRANDBAAR, N.E.G.
9T 3512 GEADSORBEERD GAS, GIFTIG, N.E.G.
9TF 3514 GEADSORBEERD GAS, GIFTIG, BRANDBAAR, N.E.G.
9TC 3516 GEADSORBEERD GAS, GIFTIG, BIJTEND, N.E.G.
9TO 3515 GEADSORBEERD GAS, GIFTIG, OXIDEREND, N.E.G.
9TFC 3517 GEADSORBEERD GAS, GIFTIG, BRANDBAAR, BIJTEND, N.E.G.
9TOC 3518 GEADSORBEERD GAS, GIFTIG, OXIDEREND, BIJTEND, N.E.G.

 

 

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief