ADR Digitaal

Deel 1 - Hoofdstuk 1.8
Controlemaatregelen en andere maatregelen voor de ondersteuning van de naleving van de veiligheidsvoorschriften

 

1.8.1

Controles van gevaarlijke goederen van overheidswege

1.8.1.1

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen kunnen op hun grondgebied op willekeurige tijd ter plekke nagaan, of de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen zijn nageleefd, met inbegrip van de voorschriften betreffende de beveiligingsmaatregelen, in overeenstemming met 1.10.1.5.

Deze controles moeten echter worden uitgevoerd zonder dat personen, bezittingen en het milieu in gevaar komen en zonder aanmerkelijke verstoring van het wegverkeer.

 

1.8.1.2

De bij het vervoer van gevaarlijke goederen betrokkenen (hoofdstuk 1.4) moeten in het kader van hun respectieve verplichtingen aan de bevoegde autoriteiten en hun gevolmachtigden onverwijld de voor de uitvoering van de controles noodzakelijke inlichtingen verschaffen.

 

1.8.1.3

e bevoegde autoriteiten kunnen ook in de ondernemingen van de bij het vervoer van gevaarlijke goederen betrokkenen (hoofdstuk 1.4) inspecties voor controledoeleinden uitvoeren, documenten inzien en voor beproevingsdoeleinden monsters van de gevaarlijke goederen of de verpakkingen nemen, voor zover dit geen risico voor de veiligheid met zich meebrengt. De bij het vervoer van gevaarlijke goederen betrokkenen (hoofdstuk 1.4) moeten voertuigen, delen van voertuigen alsmede voorwerpen van de uitrusting en van de outillage voor controledoeleinden toegankelijk maken voor zover dit mogelijk is en redelijkerwijs gevraagd kan worden. Zij mogen, voor zover zij dit noodzakelijk achten, een persoon uit de onderneming aanwijzen, die de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit begeleidt.

 

1.8.1.4

Indien de bevoegde autoriteiten vaststellen, dat niet is voldaan aan de voorschriften van het ADR, dan kunnen zij de zending verbieden of het vervoer onderbreken, tot de vastgestelde gebreken zijn opgeheven, of zij kunnen andere geschikte maatregelen nemen. Het ophouden kan ter plekke geschieden of op een andere geschikte plaats, die door de autoriteiten op grond van veiligheidoverwegingen is gekozen. Deze maatregelen mogen het wegverkeer niet aanmerkelijk verstoren.

 

1.8.2

Ambtelijke hulp

1.8.2.1

De Overeenkomstsluitende Partijen verschaffen elkaar ambtelijke hulp bij de tenuitvoerlegging van het ADR.

 

1.8.2.2

Indien op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij bij ernstige of herhaalde overtredingen door een onderneming met vestigingsplaats op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke goederen in gevaar wordt gebracht, dan moeten deze overtredingen aan de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij worden gemeld op het grondgebied waarvan de onderneming gevestigd is. De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied waarvan ernstige of herhaalde overtredingen zijn vastgesteld, kunnen de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied waarvan de onderneming is gevestigd, verzoeken tegen de overtreder(s) passende maatregelen te nemen. De overdracht van gegevens, die op personen betrekking hebben, is slechts toegestaan, voor zover dit noodzakelijk is voor de vervolging van ernstige of herhaalde overtredingen.

 

1.8.2.3

De autoriteiten aan wie het verzoek is gericht, delen aan de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij, op het grondgebied waarvan de overtredingen zijn vastgesteld, de maatregelen mee die eventueel tegen de onderneming zijn genomen.

 

1.8.3

Veiligheidsadviseur

1.8.3.1

Elke onderneming waarvan de bedrijvigheid de verzending of het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, of het daarmee samenhangende verpakken, beladen, vullen of lossen omvat, moet een of meer veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen, benoemen, die ermee zijn belast te helpen bij de preventie van de aan dit soort activiteiten verbonden gevaren voor de veiligheid van personen, bezittingen en het milieu.

 

1.8.3.2

De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen bepalen dat deze voorschriften niet van toepassing zijn op ondernemingen:

  1. waarvan de betrokken activiteiten betrekking hebben op hoeveelheden per transporteenheid, die niet groter zijn dan de in 1.1.3.6, 1.7.1.4 en in de hoofdstukken 3.3, 3.4 en 3.5 vastgestelde hoeveelheden, of
  2. waarvan de hoofd- en nevenactiviteit niet bestaat in het vervoer van gevaarlijke goederen of met dat vervoer samenhangende verpakken, vullen, beladen of lossen, doch die incidenteel binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen of met dat vervoer samenhangende verpakkings-, vul-, laad- of loswerkzaamheden verrichten die een minimale mate van gevaar of milieuverontreiniging inhouden.

 

1.8.3.3

De adviseur heeft onder de verantwoordelijkheid van de bedrijfsleider in de eerste plaats tot taak om er, binnen de grenzen van de betrokken activiteiten van de onderneming, met alle mogelijke middelen en maatregelen voor te zorgen dat deze activiteiten gemakkelijker met inachtneming van de toepasselijke regelgeving en onder optimale veiligheidsvoorwaarden kunnen plaatsvinden.
Zijn aan de activiteiten van de onderneming aangepaste taken zijn in het bijzonder:

  • nagaan of de voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen worden nageleefd;
  • de onderneming van advies dienen bij werkzaamheden die het vervoer van gevaarlijke goederen betreffen;
  • een voor de bedrijfsleiding of in voorkomend geval voor een plaatselijke overheid bestemd jaarverslag opstellen over de activiteiten van de onderneming met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen. Deze jaarverslagen worden vijf jaar bewaard en desgewenst ter beschikking gesteld van de nationale autoriteiten;

De taken van de adviseur omvatten bovendien het controleren van de volgende praktijken en procedures met betrekking tot de betrokken activiteiten

  • de werkwijzen die de naleving van de voorschriften betreffende het identificeren van de vervoerde gevaarlijke goederen ten doel hebben;de praktijk van de onderneming betreffende het in aanmerking nemen, bij de aankoop van vervoermiddelen, van eventuele bijzondere vereisten met betrekking tot de vervoerde gevaarlijke goederen
  • de werkwijzen om het voor het vervoer van gevaarlijke goederen of voor het verpakken, vullen, laden en lossen gebruikte materieel te controleren;
  • het feit dat de betrokken werknemers van de onderneming een passende opleiding hebben ontvangen, onder meer over de wijzigingen van de voorschriften, en dat deze opleiding in hun dossier is gedocumenteerd;
  • het opzetten van passende noodprocedures bij eventuele ongevallen of voorvallen die de veiligheid tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen of tijdens het verpakken, vullen, laden en het lossen in gevaar kunnen brengen;
    • het verrichten van analyses en zonodig het opstellen van rapporten over de ongevallen, voorvallen of tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen of tijdens het verpakken, vullen, laden en het lossen geconstateerde ernstige inbreuken;
  • het invoeren van passende maatregelen om herhaling van ongevallen, voorvallen of ernstige inbreuken te voorkomen;
  • het in aanmerking nemen van de wettelijke voorschriften en de bijzondere behoeften met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen, voor wat betreft de keuze en het gebruik van onderaannemers of andere tussenpersonen;
  • het controleren of het personeel dat aangewezen is voor de verzending of het vervoer of het verpakken, vullen, laden en lossen van gevaarlijke goederen, beschikt over gedetailleerde uitvoeringsprocedures en instructies;
  • het invoeren van maatregelen voor de bewustmaking voor de gevaren die verbonden zijn aan het vervoer en aan het verpakken, vullen, laden en lossen van gevaarlijke goederen;
  • het invoeren van controlemethoden om ervoor te zorgen dat de documenten en veiligheidsuitrusting die het vervoer moeten begeleiden, zich aan boord van de vervoermiddelen bevinden en conform de voorschriften zijn;
  • het invoeren van controlemethoden om ervoor te zorgen dat de voorschriften met betrekking tot het verpakken, vullen, laden en lossen worden nageleefd;
  • de aanwezigheid van een beveiligingsplan overeenkomstig 1.10.3.2.

 

1.8.3.3

De adviseur heeft onder de verantwoordelijkheid van de bedrijfsleider in de eerste plaats tot taak om er, binnen de grenzen van de betrokken activiteiten van de onderneming, met alle mogelijke middelen en maatregelen voor te zorgen dat deze activiteiten gemakkelijker met inachtneming van de toepasselijke regelgeving en onder optimale veiligheidsvoorwaarden kunnen plaatsvinden.
Zijn aan de activiteiten van de onderneming aangepaste taken zijn in het bijzonder:

  • nagaan of de voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen worden nageleefd;
  • de onderneming van advies dienen bij werkzaamheden die het vervoer van gevaarlijke goederen betreffen;
  • een voor de bedrijfsleiding of in voorkomend geval voor een plaatselijke overheid bestemd jaarverslag opstellen over de activiteiten van de onderneming met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen. Deze jaarverslagen worden vijf jaar bewaard en desgewenst ter beschikking gesteld van de nationale autoriteiten;

De taken van de adviseur omvatten bovendien het controleren van de volgende praktijken en procedures met betrekking tot de betrokken activiteiten

  • de werkwijzen die de naleving van de voorschriften betreffende het identificeren van de vervoerde gevaarlijke goederen ten doel hebben;de praktijk van de onderneming betreffende het in aanmerking nemen, bij de aankoop van vervoermiddelen, van eventuele bijzondere vereisten met betrekking tot de vervoerde gevaarlijke goederen
  • de werkwijzen om het voor het vervoer van gevaarlijke goederen of voor het verpakken, vullen, laden en lossen gebruikte materieel te controleren;
  • het feit dat de betrokken werknemers van de onderneming een passende opleiding hebben ontvangen, onder meer over de wijzigingen van de voorschriften, en dat deze opleiding in hun dossier is gedocumenteerd;
  • het opzetten van passende noodprocedures bij eventuele ongevallen of voorvallen die de veiligheid tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen of tijdens het verpakken, vullen, laden en het lossen in gevaar kunnen brengen;
    • het verrichten van analyses en zonodig het opstellen van rapporten over de ongevallen, voorvallen of tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen of tijdens het verpakken, vullen, laden en het lossen geconstateerde ernstige inbreuken;
  • het invoeren van passende maatregelen om herhaling van ongevallen, voorvallen of ernstige inbreuken te voorkomen;
  • het in aanmerking nemen van de wettelijke voorschriften en de bijzondere behoeften met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen, voor wat betreft de keuze en het gebruik van onderaannemers of andere tussenpersonen;
  • het controleren of het personeel dat aangewezen is voor de verzending of het vervoer of het verpakken, vullen, laden en lossen van gevaarlijke goederen, beschikt over gedetailleerde uitvoeringsprocedures en instructies;
  • het invoeren van maatregelen voor de bewustmaking voor de gevaren die verbonden zijn aan het vervoer en aan het verpakken, vullen, laden en lossen van gevaarlijke goederen;
  • het invoeren van controlemethoden om ervoor te zorgen dat de documenten en veiligheidsuitrusting die het vervoer moeten begeleiden, zich aan boord van de vervoermiddelen bevinden en conform de voorschriften zijn;
  • het invoeren van controlemethoden om ervoor te zorgen dat de voorschriften met betrekking tot het verpakken, vullen, laden en lossen worden nageleefd;
  • de aanwezigheid van een beveiligingsplan overeenkomstig 1.10.3.2.

 

1.8.3.4

De functie van adviseur mag ook door de bedrijfsleider, door een persoon die binnen de onderneming andere taken vervult of door een persoon die niet tot de onderneming behoort worden uitgeoefend, op voorwaarde dat de betrokkene zijn taken als adviseur daadwerkelijk kan vervullen.

 

1.8.3.5

De onderneming deelt op verzoek de identiteit van haar adviseur mee aan de bevoegde autoriteit of aan de daartoe door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen instantie.

 

1.8.3.6

Wanneer zich tijdens het vervoer of tijdens het verpakken, vullen, beladen en lossen door de betrokken onderneming een ongeval heeft voorgedaan dat personen in gevaar heeft gebracht of schade heeft veroorzaakt aan bezittingen of het milieu, stelt de adviseur, na alle ter zake dienende inlichtingen te hebben ingewonnen, een voor de bedrijfsleiding of in voorkomend geval voor de plaatselijke overheidsinstantie bestemd ongevallenrapport op. Dit ongevallenrapport mag niet in de plaats komen van door de bedrijfsleiding op te stellen rapporten die krachtens enige andere internationale of nationale wetgeving zouden worden geëist.

 

1.8.3.7

De adviseur moet houder zijn van een scholingscertificaat voor het vervoer over de weg. Dit certificaat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of de daartoe aangewezen instantie van de Overeenkomstsluitende Partij.

 

1.8.3.8

Om het certificaat te behalen moet de kandidaat een opleiding volgen, hetgeen wordt aangetoond door het slagen voor een door de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij erkend examen.

 

1.8.3.9

De opleiding heeft in de eerste plaats tot doel de kandidaat-adviseur voldoende kennis te verschaffen over de aan het vervoer en het verpakken, vullen, laden en lossen van gevaarlijke goederen verbonden gevaren, de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de in 1.8.3.3 omschreven taken.

 

1.8.3.10

Het examen wordt door de bevoegde autoriteit of door een door deze autoriteit aangewezen exameninstituut ten uitvoer gelegd.
Het exameninstituut mag geen opleidingen verschaffen.
De benoeming van het exameninstituut wordt schriftelijk gegeven. Deze goedkeuring kan een beperkte geldigheidsduur hebben en op basis van de volgende criteria plaatsvinden:

  • competentie van het exameninstituut;
  • specificatie van de examenmodaliteiten, voorgesteld door het exameninstituut, zo nodig met inbegrip van

de inrichting en organisatie van elektronische examens overeenkomstig 1.8.3.12.5, indien deze afgenomen moeten worden;

  • maatregelen voor de garantie van de objectiviteit van de examens;
  • onafhankelijkheid van het exameninstituut tegenover alle natuurlijke personen en rechtspersonen, die adviseurs in dienst hebben.

 

1.8.3.11

Doel van het examen is vast te stellen, of de kandidaten beschikken over voldoende kennis om de taken van een veiligheidsadviseur overeenkomstig 1.8.3.3 te vervullen en vervolgens het in 1.8.3.7 bedoelde scholingscertificaat te verkrijgen.
Het examen moet ten minste betrekking hebben op de volgende onderwerpen:

  1. Kennis van de soorten gevolgen die kunnen ontstaan bij een ongeval waarbij gevaarlijke goederen betrokken zijn en kennis van de voornaamste oorzaken van ongevallen;
  2. Nationale bepalingen en bepalingen van internationale verdragen, met name inzake:
    • classificatie van gevaarlijke goederen (de procedure voor de classificatie van oplossingen en mengsels, de structuur van de lijst van stoffen, klassen van gevaarlijke goederen en de criteria voor de classificatie, de eigenschappen van de vervoerde gevaarlijke goederen, de fysische, chemische en toxicologische eigenschappen van de gevaarlijke goederen);
    • algemene voorschriften voor verpakkingen, tanks en tankcontainers (typen, codering, kenmerking, constructie, eerste en periodieke beproevingen en controles);
    • het aanbrengen van opschriften, (grote) etiketten en oranje borden (kenmerking en etikettering van colli, aanbrengen en verwijderen van grote etiketten en van de oranje borden);
    • gegevens in het vervoersdocument (vereiste informatie);
    • wijze van verzending en de beperkingen inzake verzending (wagenlading, vervoer als los gestort goed, vervoer in IBC’s, vervoer in containers, vervoer in vaste of afneembare tanks);
    • vervoer van reizigers;
    • samenladingsverboden en voorzorgen bij samenlading;
    • gescheiden houden van goederen;
    • beperking van de vervoerde hoeveelheden en de vrijgestelde hoeveelheden;
    • behandeling en stuwage (verpakken, vullen, laden en lossen, vullingsgraad, stuwen en gescheiden houden);
    • reinigen en/of ontgassen vóór het verpakken, vullen, laden en na het lossen;
    • bemanning, beroepsopleiding;
    • documenten bij het voertuig (vervoersdocumenten, schriftelijke instructies, keuringsdocument voor het voertuig, vakbekwaamheidscertificaat van de bestuurder, afschrift van ontheffing of afwijking, overige documenten);
    • schriftelijke instructies (het toepassen van de instructies en beschermingsuitrusting van de bemanning);
    • voorgeschreven bewaking (parkeren);
    • regels en beperkingen met betrekking tot het verkeer;
    • operationeel of onvrijwillig vrijkomen van milieuverontreinigende stoffen;
    • eisen met betrekking tot de vervoermiddelen.

 

 

1.8.3.12

Examens

1.8.3.12.1

Het examen moet bestaan uit een schriftelijk examen, dat door een mondeling examen kan worden aangevuld.

 

1.8.3.12.2

De bevoegde autoriteit of een door deze autoriteit aangewezen exameninstituut moet bij elk examen surveilleren. Fraude en bedrog moeten zoveel mogelijk worden uitgesloten. Van elke kandidaat wordt de identiteit gecontroleerd. Bij het schriftelijk examen is het gebruik van andere documentatie dan internationale of nationale voorschriften niet toegestaan. Alle examendocumenten worden geregistreerd en in schriftelijke of elektronische vorm bewaard.

 

1.8.3.12.3

Alleen elektronische hulpmiddelen die ter beschikking zijn gesteld door het exameninstituut, mogen worden gebruikt. Het moet in geen geval mogelijk zijn dat een kandidaat meer gegevens invoert in de ter beschikking gestelde elektronische hulpmiddelen; de kandidaat mag uitsluitend antwoorden geven op de gestelde vragen.

 

1.8.3.12.4

Het schriftelijk examen bestaat uit twee delen:

  1. Aan de kandidaat wordt een vragenlijst voorgelegd. Deze bestaat uit ten minste 20 open vragen, die ten minste betrekking hebben op de onderwerpen, genoemd in de lijst in 1.8.3.11. Multiple-choice vragen zijn echter ook mogelijk. In dat geval komen twee multiple-choice vragen overeen met één open vraag.
    Uit de lijst van deze onderwerpen moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan de volgende aspecten:
    • algemene preventie- en veiligheidsmaatregelen
    • indeling (classificatie) van gevaarlijke goederen
    • algemene voorschriften voor verpakkingen, tanks, tankcontainers, tankwagens, enz.
    • gevaarsaanduidingen en (grote) etiketten
    • aanduidingen in het vervoersdocument
    • behandeling en stuwage
    • bemanning, beroepsopleiding
    • documenten bij het voertuig en vervoersdocumenten
    • schriftelijke instructies
    • eisen met betrekking tot de vervoermiddelen
  2. Elke kandidaat moet een analyse uitvoeren van een specifiek geval met betrekking tot de in 1.8.3.3 genoemde taken van de adviseur, om aan te tonen, dat hij in staat is de taak van een adviseur te vervullen.

 

1.8.3.12.5

Schriftelijke examens mogen geheel of gedeeltelijk elektronisch worden afgenomen, waarbij de antwoorden worden geregistreerd en beoordeeld met gebruikmaking van elektronische gegevensverwerking (EDP), mits aan onderstaande voorwaarden is voldaan:

  1. De hardware en software moeten worden gecontroleerd en geaccepteerd door de bevoegde autoriteit of het door deze autoriteit aangewezen exameninstituut;
  2. Apparaten en applicaties dienen naar behoren te werken. In geval van uitval van apparaten en applicaties moet er voorzien zijn in een regeling die bepaalt of en hoe het examen kan worden voortgezet. Er mogen geen hulpmiddelen (b.v. een elektronische zoekfunctie) op de invoerapparaten zijn aangesloten; de overeenkomstig 1.8.3.12.3 beschikbaar gestelde apparatuur mag het kandidaten niet mogelijk maken gedurende het examen met een ander apparaat te communiceren;
  3. De definitieve uitwerkingen van elke kandidaat moeten worden geregistreerd. De bepaling van de resultaten dient op transparante wijze te geschieden.

 

1.8.3.13

De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen bepalen, dat de kandidaten, die voor ondernemingen willen werken, waarvan de bedrijvigheid uitsluitend betrekking heeft op het vervoer van specifieke soorten gevaarlijke goederen, alleen worden geëxamineerd over met die bedrijvigheid samenhangende onderwerpen.
Bij deze soorten van goederen betreft het goederen van:

  • klasse 1
  • klasse 2
  • klasse 7
  • klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 8 en 9
  • UN-nummers 1202, 1203, 1223, 3475 en brandstof voor vliegtuigen, ingedeeld onder UN-nummer 1268 of 1863

In het scholingscertificaat, voorgeschreven in 1.8.3.7, moet duidelijk worden vermeld, dat dit alleen geldig is voor de in deze subsectie vermelde soorten gevaarlijke goederen, waarvoor de adviseur onder de in 1.8.3.12 genoemde voorwaarden is geëxamineerd.

 

1.8.3.14

De bevoegde autoriteit of het exameninstituut stelt in de loop van de tijd een catalogus samen van vragen die op het examen zijn gesteld.

 

1.8.3.15

Het scholingscertificaat overeenkomstig 1.8.3.7 wordt opgesteld overeenkomstig het model in 1.8.3.18 en wordt door alle Overeenkomstsluitende Partijen erkend.

 

1.8.3.16

Geldigheidsduur en verlenging van het certificaat

1.8.3.16.1

Het certificaat moet vijf jaar geldig zijn. De geldigheidsduur van het certificaat wordt vanaf het tijdstip waarop het afloopt met vijf jaar verlengd, indien de houder van het certificaat in het jaar voorafgaand aan de afloopdatum voor een examen is geslaagd. Het examen moet door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

 

1.8.3.16.2

Doel van het examen is om er zeker van te zijn dat de houder de noodzakelijke kennis, om de in 1.8.3.3 genoemde plichten te vervullen, bezit. De vereiste kennis is in 1.8.3.11 b) opgenomen en moet de sinds het verkrijgen van het laatste certificaat ingevoerde wijzigingen in de voorschriften bevatten. Het examen moet op dezelfde basis, als in 1.8.3.10 en 1.8.3.12 tot en met 1.8.3.14 beschreven, uitgevoerd en
gecontroleerd worden. Echter, de houder behoeft de in 1.8.3.12.4 b) genoemde analyse van een specifiek geval niet uit te voeren.

 

1.8.3.17

Geschrapt

 

1.8.3.18

Model van het certificaat

Scholingscertificaat voor veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen

Certificaatnr.: ………………………………………………...…………….......

Kenteken van de Staat die het certificaat afgeeft: …………………............

Naam: ............…………………………………………………………………..

Voorna(a)m(en): …………….…….…….…….……………………….………

Geboortedatum en -plaats: ………………………....………………… …….

Nationaliteit: .....………………………………………………………… ……..

Handtekening van de houder: ………………………………………….……

Geldig tot en met ……………………….. (datum) voor ondernemingen die gevaarlijke goederen vervoeren en voorondernemingen die met dit vervoer samenhangende verzendings-, verpakkings-, vul-, laad- en loswerkzaamheden verrichten:

[ ] over de weg [ ] per spoor [ ]  over de binnenwateren

Afgegeven door: ………………………………....………………………….….

Datum: ........………………………………Handtekening:…………....……

 

1.8.3.19

Uitbreiding van het certificaat
Indien een adviseur het bereik van zijn certificaat gedurende de periode van geldigheid uitbreidt, door te voldoen aan de voorschriften van 1.8.3.16.2, moet de periode van geldigheid van een nieuw certificaat dezelfde blijven als van het voorgaande certificaat.

1.8.4

Lijst van de bevoegde autoriteiten en de door hen aangewezen instanties

De Overeenkomstsluitende Partijen delen aan het Secretariaat van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties de adressen van de autoriteiten en de door hen aangewezen instanties mee, die volgens nationaal recht bevoegd zijn voor de toepassing van het ADR, steeds onder vermelding van de toepasselijke bepaling van het ADR, alsmede de adressen waaraan respectieve verzoeken gericht moeten worden.
Het Secretariaat van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties stelt uit de ontvangen informatie een lijst samen en houdt deze bijgewerkt. Het maakt deze lijst en de wijzigingen daarvan bekend aan de Overeenkomstsluitende Partijen.

 

1.8.5

Meldingen van gebeurtenissen met gevaarlijke goederen

1.8.5.1

Indien zich bij het laden, vullen, vervoer of lossen van gevaarlijke goederen op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij een ernstig ongeval of voorval voordoet, moet de belader, vuller, vervoerder, respectievelijk de geadresseerde zich ervan vergewissen dat uiterlijk één maand na de gebeurtenis een rapport volgens het 1.8.5.4 voorgeschreven model aan de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij wordt voorgelegd.

 

1.8.5.2

Deze Overeenkomstsluitende Partij zendt zo nodig een rapport aan het Secretariaat van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met het doel andere Overeenkomstsluitende Partijen te informeren.

 

1.8.5.3

Een overeenkomstig 1.8.5.1 te rapporteren gebeurtenis heeft zich voorgedaan, indien gevaarlijke goederen zijn vrijgekomen of indien er een dreigend gevaar bestond van verlies van het product, indien persoonlijk letsel, schade aan materiaal of milieu optrad, of indien de autoriteiten erbij betrokken waren en aan één of meer van de volgende criteria is voldaan:

Persoonlijk letsel betekent een voorval waarbij de dood of letsel is opgetreden die / dat rechtstreeks verband hield met de vervoerde gevaarlijke goederen, en waarbij het letse

  1. intensieve medische behandeling vereist,
  2. een verblijf van ten minste één dag in een ziekenhuis vereist, of
  3. het onvermogen tot werken gedurende ten minste drie opeenvolgende dagen tot gevolg heeft.

Verlies van product betekent het vrijkomen van gevaarlijke goederen

  1. van vervoerscategorie 0 of 1 in hoeveelheden van 50 kg / 50 liter of meer,
  2. van vervoerscategorie 2 in hoeveelheden van 333 kg / 333 liter of meer, of
  3. van vervoerscategorie 3 of 4 in hoeveelheden van 1.000 kg / 1.000 liter of meer.

Het criterium voor verlies van product is ook van toepassing indien er een dreigend gevaar van verlies van product bestond wat betreft de hierboven genoemde hoeveelheden. Dit moet doorgaans worden aangenomen indien, als gevolg van structurele schade, de middelen van omsluiting niet langer voor verder vervoer geschikt zijn of indien om een of andere reden een voldoende veiligheidsniveau niet langer gewaarborgd is (bijv. als gevolg van vervorming van tanks of containers, kantelen van een tank of brand in de onmiddellijke omgeving).
Indien er gevaarlijke goederen van klasse 6.2 bij betrokken zijn, is de verplichting tot rapporteren van toepassing zonder hoeveelheidbeperking.

Bij gebeurtenissen waarbij radioactieve stoffen betrokken zijn, zijn de criteria voor verlies van product:

  1. elk vrijkomen van radioactieve stoffen uit de colli;
  2. blootstelling leidend tot overschrijding van de grenswaarden die zijn afgebakend in de voorschriften voor bescherming van werknemers en personen uit het publiek tegen ioniserende straling (Blad II van IAEA Veiligheidsreeks nr. 115 - "Internationale fundamentele veiligheidsnormen ter bescherming tegen ioniserende straling en voor veiligheid van stralingsbronnen"); of
  3. daar waar redenen bestaan om aan te nemen dat enige veiligheidsfunctie van een collo aanzienlijk is teruggelopen (omsluiting, afscherming, thermische bescherming of criticaliteit) welke het collo ongeschikt kan hebben gemaakt voor verder vervoer zonder aanvullende veiligheidsmaatregelen.

Opmerking: Zie de voorschriften van 7.5.11 CV33 (6) voor onbestelbare zendingen.

Schade aan materiaal of milieu betekent het vrijkomen van gevaarlijke stoffen, ongeacht de hoeveelheid, waarbij de geschatte schade meer bedraagt dan 50.000 Euro. Voor dit doel mag schade aan enig rechtstreeks betrokken middel van vervoer dat gevaarlijke stoffen bevat en aan de infrastructuur van de modaliteit niet in aanmerking worden genomen.

Betrokkenheid van autoriteiten betekent het rechtstreeks betrokken zijn van de autoriteiten of hulpverleningsinstanties tijdens de gebeurtenis waarbij gevaarlijke goederen betrokken zijn alsmede de evacuatie van personen of sluiting van openbare verkeerswegen (wegen / spoorwegen) gedurende ten minste drie uur als gevolg van het door de gevaarlijke goederen ontstane gevaar.
De bevoegde autoriteit kan zo nodig nadere relevante informatie vragen.

 

1.8.5.4

Model voor een rapport over gebeurtenissen tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen
Rapport over gebeurtenissen tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen overeenkomstig sectie 1.8.5 van het RID/ADR

 

Vervoerder / beheerder van de spoorweginfrastructuur:

..........................................................................................................……………………………….

Adres:
........................................................................................................................….…………………

Naam van de contactpersoon: ................................…............................................………..........

Telefoon: .................................................................... Fax: ................................…….…...........

(De bevoegde autoriteit moet dit voorblad verwijderen voordat het rapport wordt doorgezonden)

(De bevoegde autoriteit moet dit voorblad verwijderen voordat het rapport wordt doorgezonden)

 

1. MODALITEIT
[ ] Spoor
Wagennummer (facultatief)
.......................................……………
…………
[ ]   Weg
Kenteken van het voertuig (facultatief)
...........................................………
…………...
2. DATUM EN PLAATS VAN DE GEBEURTENIS
Jaar: ………………….. Maand: …………………. Dag: ………………….
Tijdtip:………………………...
Spoor Weg

[ ] Station
[ ] Rangeerterrein
[ ] Laad- / los- / overslagterrein

Plaats / land: …………………………………

of

[ ] Vrije baan

Aanduiding baanvak: ......................

Kilometer:.......................................

[ ] Binnen bebouwde kom
[ ] Laad- / los- / overslagterrein
[ ]  Buiten bebouwde kom

Plaats / land: …………………………………….…

3. TOPOGRAFIE
[ ]Stijging / daling
[ ] Tunnel
[ ] Brug / onderdoorgang
[ ] Kruising
4. BIJZONDERE WEERSOMSTANDIGHEDEN
[ ] Regen
[ ] Sneeuw
[ ] IJzel
[ ] Mist
[ ] Onweersbui
[ ] Storm Temperatuur         °C
5. BESCHRIJVING VAN DE GEBEURTENIS

[ ] Ontsporing / van de weg raken
[ ] Botsing
[ ] Omkantelen / omrollen
[ ] Brand
[ ] Explosie
[ ] Lekkage
[ ] Technisch gebrek

Aanvullende beschrijving van de gebeurtenis:
.........................................................................................................................…………
………............................................................................................................................
...................................................................................................................................
...................................................................................................................................
...................................................................................................................................
...................................................................................................................................
...................................................................................................................................
...................................................................................................................................

6. BETROKKEN GEVAARLIJKE STOFFEN
UN-NR (1) Klasse

Verpakkings
groep

Geschatte hoeveelheid vrijgekomen product
(kg of l) (2)
Middelen van omsluiting (3) Materiaal van omsluiting Aard van het gebrek van de omsluiting (4)
             
             
             
             
(1) Voor gevaarlijke stoffen, ingedeeld in verzamelaanduidingen waarop bijzondere bepaling 274 van toepassing is, moet ook de
technische benaming worden aangegeven.
(2) Geef voor radioactieve stoffen van klasse 7 waarden aan volgens de criteria in 1.8.5.3.
(3)   Geef het van toepassing zijnde nummer aan:
1 Verpakking
2 IBC
3 Grote verpakking
4 Kleine container
5 Wagen
6 Voertuig
7 Reservoirwagen
8 Tankwagen
9 Batterijwagen (spoor)
10 Batterijwagen (weg)
11 Wagen met afneembare tanks
12 Afneembare tank
13 Grote container
14 Tankcontainer
15 MEGC
16 Transporttank
(4) Geef het van toepassing zijnde nummer aan:
1     Lekkage
2     Brand
3     Explosie
4     Structureel gebrek
7. OORZAAK VAN DE GEBEURTENIS (VOOR ZOVER DEZE EENDUIDIG BEKEND IS)
[ ] Technisch gebrek
[ ] Onvoldoende borging van de lading
[ ] Operationele oorzaak (spoorvervoer)
[ ] Andere:
...............................................................................……………………………………...
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
8. GEVOLGEN VAN DE GEBEURTENIS

Persoonlijk letsel in verband met de betrokken gevaarlijke   goederen:
[ ] Doden (aantal:         )
[ ] Gewonden (aantal:         )

Verlies van product:
[ ] Ja
[ ] Neen
[ ] Dreigend gevaar van verlies van product

Schade aan materiaal / milieu
[ ] Geschat schadebedrag £ 50.000 Euro
[ ] Geschat schadebedrag > 50.000 Euro

Betrokkenheid van de autoriteiten:
[ ]     Ja       [ ]   Evacuatie van personen gedurende ten minste drie uur, veroorzaakt door de betrokken gevaarlijke goederen

[ ]   Sluiting van openbare verkeerswegen gedurende ten minste drie uur, veroorzaakt
door de betrokken gevaarlijke goederen
[ ]   Neen

Zo nodig kan de bevoegde autoriteit verzoeken om aanvullende relevante informatie.

1.8.6

Administratieve controles voor de toepassing van conformiteitsbeoordelingen, periodieke onderzoeken, tussentijdse onderzoeken en buitengewone controles omschreven in 1.8.7

 

1.8.6.1

Erkenning van onderzoeksinstanties
De bevoegde autoriteit kan onderzoeksinstanties voor conformiteitsbeoordelingen, periodieke onderzoeken, tussentijdse onderzoeken, buitengewone controles en toezicht op de interne inspectiedienst erkennen, zoals aangegeven in 1.8.7.schreven in 1.8.7

 

1.8.6.2

Verplichtingen voor de werkwijze van de bevoegde autoriteit, haar gemachtigde of onderzoeksinstantie

1.8.6.2.1

De bevoegde autoriteit, haar gemachtigde of de onderzoeksinstantie moet conformiteitsbeoordelingen, periodieke onderzoeken, tussentijdse onderzoeken en buitengewone controles uitvoeren op geproportioneerde wijze, waarbij onnodige lasten worden vermeden. De bevoegde autoriteit, haar gemachtigde of de onderzoeksinstantie moet haar werkzaamheden uitvoeren waarbij rekening wordt gehouden met de grootte, de sector en de structuur van de betrokken ondernemingen, de relatieve complexiteit van de technologie en het seriegewijze karakter van de productie

 

1.8.6.2.2

Niettemin moet de bevoegde autoriteit, haar gemachtigde of de onderzoeksinstantie rekening houden met de mate van gestrengheid en het vereiste niveau van bescherming zodat de vervoerbare drukapparatuur voldoet aan de bepalingen van de Delen 4 en 6, voor zover van toepassing.

 

1.8.6.2.3

Indien een bevoegde autoriteit, haar gemachtigde of de onderzoeksinstantie ontdekt dat door de fabrikant niet voldaan is aan de voorschriften opgenomen in de Delen 4 of 6, moet zij eisen dat de fabrikant geschikte maatregelen ter verbetering treft en mag zij geen enkel goedkeurings- of conformiteitscertificaat afgeven.

 

1.8.6.3

Verplichting tot het verstrekken van informatie
De Overeenkomstsluitende Partijen bij het ADR moeten hun nationale procedures voor de beoordeling, de aanwijzing van en het toezicht van onderzoeksinstanties en alle wijzigingen in die informatie, publiceren.

 

1.8.6.4

Delegatie van onderzoekstaken

Opmerking: Interne inspectiediensten overeenkomstig 1.8.7.6 vallen niet onder 1.8.6.4.

 

1.8.6.4.1

Indien een onderzoeksinstantie gebruikmaakt van de diensten van andere eenheden (bijv. onderaannemer, dochteronderneming), om bepaalde taken uit te voeren die samenhangen met de conformiteitsbeoordeling, periodiek onderzoek, tussentijds onderzoek of buitengewone controles, moet deze eenheid worden opgenomen in de accreditatie van de onderzoeksinstantie, of deze eenheid moet apart geaccrediteerd zijn. In geval van afzonderlijke accreditatie moet deze eenheid naar behoren worden geaccrediteerd overeenkomstig norm EN ISO/IEC 17025:2005 en door de onderzoeksinstantie worden erkend als een onafhankelijk en onpartijdig beproevingslaboratorium om beproevingswerkzaamheden overeenkomstig de accreditatie te kunnen verrichten, dan wel worden geaccrediteerd overeenkomstig norm EN ISO/IEC 17020:2012 (uitgezonderd bepaling 8.1.3). De onderzoeksinstantie moet waarborgen dat deze eenheid met hetzelfde niveau van competentie en veiligheid als vastgelegd voor onderzoeksinstanties (zie 1.8.6.8) voldoet aan de voorschriften die zijn vastgelegd voor de taken die aan deze eenheid worden verleend en de onderzoeksinstantie moet hierop toezien. De onderzoeksinstantie moet de bevoegde autoriteit informeren over bovengenoemde afspraken.

 

1.8.6.4.2

De onderzoeksinstantie moet volledige verantwoordelijkheid dragen voor de taken uitgevoerd door dergelijke eenheden in alle gevallen dat deze taken door hen worden uitgevoerd.

 

1.8.6.4.3

De onderzoeksinstantie mag niet de volledige taak van conformiteitsbeoordeling, periodiek onderzoek, tussentijds onderzoek of buitengewone controles delegeren. In elk geval moet de beoordeling en de uitgifte van certificaten worden uitgevoerd door de onderzoeksinstantie zelf.

 

1.8.6.4.4

Activiteiten mogen niet worden gedelegeerd zonder instemming van de aanvrager.

 

1.8.6.4.5

De onderzoeksinstantie moet de relevante documenten, met betrekking tot de beoordeling van de kwalificaties en het werk, uitgevoerd door bovengenoemde eenheden, ter beschikking houden voor de bevoegde autoriteit.

 

1.8.6.5

Verplichting tot het verstrekken van informatie door de onderzoeksinstanties

Alle onderzoeksinstanties moeten aan de bevoegde autoriteit, die deze had erkend, de volgende informatie verschaffen:

  1. behalve indien de bepalingen van 1.8.7.2.4 van toepassing zijn, elke weigering, beperking, opschorting of intrekking van certificaten voor typegoedkeuring;
  2. alle omstandigheden, die de omvang en de voorwaarden voor de goedkeuring, verleend door de bevoegde autoriteit, beïnvloeden;
  3. elk verzoek tot informatie over activiteiten betreffende uitgevoerde conformiteitsbeoordeling, afkomstig van de bevoegde autoriteiten die toezien op de naleving overeenkomstig 1.8.1 of 1.8.6.6; op verzoek, conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, uitgevoerd binnen het kader van hun goedkeurings- en alle andere activiteiten, met inbegrip van het delegeren van taken.

 

1.8.6.6

De bevoegde autoriteit moet het toezicht op de onderzoeksinstanties waarborgen en moet de verleende erkenning intrekken of beperken, indien zij merkt dat een erkende instantie niet langer in overeenstemming is met de erkenning en de voorschriften van 1.8.6.8 of niet de procedures volgt, vastgelegd in de bepalingen van het ADR.

 

1.8.6.7

Indien de erkenning van de onderzoeksinstantie is ingetrokken of beperkt of indien de onderzoeksinstantie haar activiteiten heeft beëindigd, moet de bevoegde autoriteit passende maatregelen treffen om te garanderen dat de dossiers ofwel door een andere onderzoeksinstantie worden behandeld dan wel beschikbaar blijven.

 

1.8.6.8

De onderzoeksinstantie moet:

  1. a) beschikken over personeel in een organisatiestructuur, dat bekwaam, opgeleid, competent en vakkundig is, teneinde de technische functies op bevredigende wijze te kunnen uitvoeren;
  2. toegang hebben tot geschikte en voldoende faciliteiten en uitrusting;
  3. op onpartijdige wijze te werk gaan en vrij zijn van invloeden die zouden kunnen verhinderen om zo te handelen;
  4. commerciële vertrouwelijkheid waarborgen van de commerciële en door het eigendomsrecht beschermde activiteiten van de fabrikant en andere instanties;
  5. een duidelijke scheiding aanhouden tussen de werkelijke functies van onderzoeksinstantie en functies die daar geen verband mee houden;
  6. een gedocumenteerd kwaliteitssysteem bezitten;
  7. waarborgen dat de beproevingen en onderzoeken, aangegeven in de betreffende norm en in het ADR, worden uitgevoerd; en een doeltreffend en geschikt systeem voor rapportage en dossiervorming aanhouden in overeenstemming met 1.8.7 en 1.8.8

De onderzoeksinstantie moet bovendien geaccrediteerd zijn overeenkomstig de norm EN ISO/IEC 17020:2012 (uitgezonderd bepaling 8.1.3), zoals aangegeven in 6.2.2.11, 6.2.3.6 en TA4 en TT9 van 6.8.4.
Een onderzoeksinstantie die begint met een nieuwe activiteit, kan tijdelijk worden erkend. Vóór een tijdelijke erkenning moet de bevoegde autoriteit waarborgen dat de onderzoeksinstantie voldoet aan de voorschriften van de norm EN ISO/IEC 17020:2004. De onderzoeksinstantie moet in het eerste jaar van haar activiteiten worden geaccrediteerd, teneinde deze nieuwe activiteit te kunnen voortzetten.

 

1.8.7

Procedures voor conformiteitsbeoordeling en periodiek onderzoek

Opmerking: In deze sectie betekent "betreffende instantie" een instantie die in 6.2.2.11 is aangewezen voor het certificeren van UN-drukhouders, en in 6.2.3.6 voor de goedkeuring van niet-UN-drukhouders en in de bijzondere bepalingen TA4 en TT9 van 6.8.4.

 

1.8.7.1

Algemene bepalingen

1.8.7.1.1

De procedures in sectie 1.8.7 moeten overeenkomstig 6.2.3.6 worden toegepast indien niet-UN-drukhouders worden goedgekeurd en overeenkomstig TA4 en TT9 van 6.8.4 indien tanks, batterijwagens en MEGC's worden goedgekeurd.

De procedures in sectie 1.8.7 mogen overeenkomstig de tabel in 6.2.2.11 worden toegepast indien UN-drukhouders worden gecertificeerd.

 

1.8.7.1.2

Elke aanvraag voor:

  1. de typegoedkeuring in overeenstemming met 1.8.7.2; of
  2. het toezicht op de fabricage in overeenstemming met 1.8.7.3 en het eerste onderzoek en
    beproeving in overeenstemming met 1.8.7.4; of
  3. het periodieke onderzoek, tussentijds onderzoek en de buitengewone controles in overeenstemming met 1.8.7.5

moet door de aanvrager worden ingediend bij één enkele bevoegde autoriteit, een vertegenwoordiger daarvan of een erkende onderzoeksinstantie van zijn keuze.

 

1.8.7.1.3

De aanvraag moet omvatten:

  1. De naam en het adres van de aanvrager;
  2. voor de conformiteitsbeoordeling, indien de aanvrager niet de fabrikant is, de naam en het adres van de fabrikant;
  3. een schriftelijke verklaring dat dezelfde aanvraag niet is ingediend bij enige andere bevoegde autoriteit, een vertegenwoordiger daarvan of een onderzoeksinstantie;
  4. de betreffende technische documentatie, aangegeven in 1.8.7.7;
  5. een verklaring waarmee aan de bevoegde autoriteit, een vertegenwoordiger daarvan of een onderzoeksinstantie voor inspectiedoeleinden toegang wordt verleend tot de locaties van fabricage, onderzoek, beproeving en opslag en waarbij aan hen alle noodzakelijke informatie wordt verschaft.

 

1.8.7.1.4

In het geval dat de aanvrager op voor de bevoegde autoriteit of de haar vertegenwoordigende onderzoeksinstantie op bevredigende wijze overeenstemming met 1.8.7.6 kan aantonen, dan mag de aanvrager een interne inspectiedienst oprichten die een gedeelte of alle onderzoeken en beproevingen, voor zover opgenomen in 6.2.2.11 of 6.2.3.6, mag uitvoeren.

 

1.8.7.1.5

Certificaten ter goedkeuring van het ontwerptype en conformiteitscertificaten – met inbegrip van de technische documentatie – moeten door de fabrikant of de aanvrager van de typegoedkeuring, indien deze niet de fabrikant is, en door de onderzoeksinstantie die het certificaat heeft afgegeven, worden bewaard gedurende een periode van ten minste 20 jaar vanaf de laatste datum van fabricage van productie van hetzelfde type.

 

1.8.7.1.6

Indien het in de bedoeling van een fabrikant of een eigenaar ligt het bedrijf te beëindigen, moet deze de documentatie toezenden aan de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit moet vervolgens deze documentatie gedurende de rest van de periode aangegeven in 1.8.7.1.5 bewaren.

 

1.8.7.2

Typegoedkeuring
Typegoedkeuringen geven het recht tot fabricage van drukhouders, tanks, batterijwagens of MEGC’s gedurende de periode van geldigheid van die goedkeuring.

 

1.8.7.2.1

De aanvrager moet:

  1. in het geval van drukhouders representatieve monsters van de bedoelde productie aan de betreffende instantie ter beschikking stellen. De betreffende instantie kan verzoeken om meer monsters indien het beproevingsprogramma dit vereist.
  2. in het geval van tanks, batterijwagens of MEGC's, toegang verlenen tot het prototype voor de typekeuring.

 

1.8.7.2.2

De betreffende instantie moet:

  1. de technische documentatie, aangegeven in 1.8.7.7.1, onderzoeken om te controleren of het ontwerp in overeenstemming is met de betreffende bepalingen van het ADR en of het prototype of de partij prototypen is vervaardigd in overeenstemming met de technische documentatie en representatief is voor het ontwerp;
  2. de onderzoekingen uitvoeren en getuige zijn van de beproevingen, aangegeven in het ADR, teneinde vast te stellen dat de bepalingen zijn toegepast en nagekomen, en dat de procedures, aanvaard door de fabrikant, voldoen aan de voorschriften;
  3. controleren of het/de certifica(a)t(en), afgegeven door de fabrikant(en) van de materialen, overeenstemmen met de betreffende bepalingen van het ADR;
  4. voor zover van toepassing, de procedures voor de permanente verbinding van onderdelen goedkeuren of controleren dat deze in het verleden zijn goedgekeurd, en controleren dat het personeel, dat belast is met het permanent verbinden van onderdelen en de niet-destructieve beproevingen, gekwalificeerd is of toegelaten;
  5. overeenstemming bereiken met de aanvrager over de locatie en de keuringsfaciliteiten waar de onderzoeken en de noodzakelijke beproevingen zullen worden uitgevoerd.

De betreffende instantie moet de aanvrager een rapport van de typekeuring doen toekomen.

 

1.8.7.2.3

Indien het type voldoet aan alle bepalingen die van toepassing zijn, moet de bevoegde autoriteit, haar gemachtigde of de onderzoeksinstantie een certificaat van typegoedkeuring afgeven aan de aanvrager.

Dit certificaat moet omvatten:

  1. de naam en het adres van degene die het heeft afgegeven;
  2. de naam en het adres van de fabrikant en van de aanvrager indien de aanvrager niet de fabrikant is;
  3. een verwijzing naar de versie van het ADR en de normen gebruikt door het onderzoek van het type;
  4. eventuele eisen die het gevolg zijn van het onderzoek;
  5. de gegevens noodzakelijk voor de identificatie van het type en de varianten, zoals gedefinieerd in de desbetreffende norm;
  6. de verwijzing naar het/de onderzoeksrapport(en) van het type; en
  7. de maximale periode van geldigheid van de typegoedkeuring.

Een lijst van de relevante gedeelten van de technische documentatie moet bij het certificaat worden gevoegd (zie 1.8.7.7.1).

 

1.8.7.2.4

De typegoedkeuring mag ten hoogste tien jaar geldig zijn. Indien binnen deze periode de desbetreffende technische voorschriften van het ADR (met inbegrip van normen waarnaar wordt verwezen) zodanig zijn veranderd dat het goedgekeurde type niet langer daarmee overeenkomt, dan moet de desbetreffende instantie die de typegoedkeuring heeft afgegeven, deze intrekken en de houder van de typegoedkeuring inlichten.

Opmerking: Wat betreft de uiterste data voor intrekking van bestaande typegoedkeuringen, zie kolom (5) van de tabellen in 6.2.4 en 6.8.2.6 of 6.8.3.6 al naar gelang.

Indien de typegoedkeuring is verlopen of ingetrokken, dan is de fabricage van drukhouders, tanks, batterijwagens of MEGC’s volgens die typegoedkeuring niet langer toegestaan.

In een dergelijk geval blijven de desbetreffende bepalingen inzake het gebruik, het periodiek onderzoek en het tussentijds onderzoek van drukhouders, tanks, batterijwagens of MEGC’s, opgenomen in de typegoedkeuring die is verlopen of ingetrokken, van toepassing op deze drukhouders, tanks, batterijwagens of MEGC’s, gefabriceerd vóór de afloop of de intrekking, indien zij verder mogen worden gebruikt.

Zij mogen verder worden gebruikt zolang als zij in overeenstemming blijven met de voorschriften van het ADR. Indien zij niet langer in overeenstemming zijn met de voorschriften van het ADR mogen zij alleen verder worden gebruikt indien een dergelijk gebruik is toegestaan op grond van de desbetreffende overgangsvoorschriften in hoofdstuk 1.6.

Typegoedkeuringen kunnen worden hernieuwd op grond van een volledige herziening en beoordeling van de conformiteit met de bepalingen van het ADR van toepassing op de datum van de hernieuwing. De hernieuwing is niet toegestaan nadat een typegoedkeuring is ingetrokken. Tussentijdse wijzigingen van een bestaande typegoedkeuring (bijv. voor drukhouders kleine wijzigingen zoals toevoeging van andere grootten of inhouden die de conformiteit niet beïnvloeden, of voor tanks zie 6.8.2.3.2) verlengen of wijzigen niet de oorspronkelijke geldigheid van het certificaat.

Opmerking: De herziening en de beoordeling van de conformiteit kan worden uitgevoerd door een andere instantie dan die welke de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft afgegeven.

De afgevende instantie moet alle documenten voor de typegoedkeuring (zie 1.8.7.7.1) gedurende de hele geldigheidsperiode bewaren, inclusief de hernieuwingen daarvan, indien deze worden verleend.

 

1.8.7.2.5

In geval van wijziging van een drukhouder, tank, batterijwagen of MEGC met een geldige, verlopen of ingetrokken typegoedkeuring, richten beproeving, onderzoek en goedkeuring zich alleen op die delen van de drukhouder, tank, batterijwagen of MEGC die wijzigingen hebben ondergaan. De wijziging moet voldoen aan de op het moment van wijziging geldende voorschriften van het ADR. Voor alle delen van de drukhouder, tank, batterijwagen of MEGC waarvoor de wijziging geen gevolgen heeft, blijft de documentatie van de oorspronkelijke typegoedkeuring geldig.

Een wijziging kan betrekking hebben op een of meer onder een typegoedkeuring vallende drukhouders, tanks, batterijwagens of MEGC's.

Aan de aanvrager moet een certificaat van goedkeuring van de wijziging worden uitgereikt door de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR of een door deze autoriteit aangewezen instantie. Voor tanks, batterijwagens en MEGC's moet een afschrift als onderdeel van het tankdossier worden bewaard.

Aanvragen voor een goedkeuringscertificaat in verband met een wijziging moeten door de aanvrager bij één enkele bevoegde autoriteit of door deze autoriteit aangewezen instantie worden ingediend.

 

1.8.7.3

Toezicht op de fabricage

1.8.7.3.1

Het fabricageproces moet aan een inspectie door de betreffende instantie zijn onderworpen teneinde te waarborgen dat het product wordt vervaardigd in overeenstemming met de bepalingen van de typegoedkeuring.

 

1.8.7.3.2

De aanvrager moet alle maatregelen treffen, die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat het fabricageproces voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen van het ADR en van het certificaat van typegoedkeuring en de bijlagen daarvan.

 

1.8.7.3.3

De betreffende instantie moet:

  1. de overeenstemming controleren met de technische documentatie, aangegeven in 1.8.7.7.2;
  2. controleren of het fabricageproces producten produceert in overeenstemming met de voorschriften en de documentatie die daarop van toepassing zijn;
  3. controleren of de herkomst van de materialen is na te gaan en vergelijken van het/de materiaalcertifica(a)t(en) met de specificaties;
  4. voor zover van toepassing, controleren of het personeel belast met het maken van permanente verbindingen en de niet-destructieve beproevingen gekwalificeerd of toegelaten is;
  5. overeenstemming bereiken met de aanvrager over de locatie waar de onderzoeken en de noodzakelijke beproevingen zullen worden uitgevoerd; en
  6. de resultaten van de inspectie vastleggen.

 

1.8.7.4

Eerste onderzoek en beproevingen

1.8.7.4.1

De aanvrager moet:

  1. de merktekens, aangegeven in het ADR, aanbrengen; en
  2. de betreffende instantie voorzien van de technische documentatie, aangegeven in 1.8.7.7.

 

1.8.7.4.2

De betreffende instantie moet:

  1. de noodzakelijke onderzoeken en beproevingen uitvoeren teneinde te controleren dat het product is vervaardigd in overeenstemming met de typegoedkeuring en de betreffende bepalingen;
  2. de certificaten die door de fabrikanten van de bedrijfsuitrusting aangeleverd zijn, vergelijken met de bedrijfsuitrusting;
  3. aan de aanvrager een rapport van het eerste onderzoek en beproeving afgeven, dat betrekking heeft op gedetailleerde beproevingen en controles die zijn uitgevoerd en de gecontroleerde technische documentatie;
  4. een schriftelijk certificaat opstellen van de conformiteit van de fabricage en haar wettig gedeponeerd waarmerk aanbrengen indien de fabricage voldoet aan de bepalingen; en
  5. nagaan of de typegoedkeuring geldig blijft nadat de bepalingen van het ADR (met inbegrip van normen waarnaar wordt verwezen) van belang voor de typegoedkeuring gewijzigd zijn.

Het certificaat bedoeld in d) en het rapport bedoeld in c) kunnen betrekking hebben op een aantal voorwerpen van hetzelfde type (groepscertificaat of -rapport).

 

1.8.7.4.3

Het certificaat moet ten minste omvatten:

  1. de naam en het adres van de betreffende instantie;
  2. de naam en het adres van de fabrikant en de naam en het adres van de aanvrager, indien deze niet de fabrikant is;
  3. een verwijzing naar de versie van het ADR en de normen, gebruikt voor de eerste onderzoeken en beproevingen;
  4. de resultaten van de onderzoeken en beproevingen;
  5. de gegevens nodig voor de identificatie van het/de onderzochte product(en), ten minste het serienummer of voor niet-hervulbare cilinders (flessen) het chargenummer; en
  6. het nummer van de typegoedkeuring.

 

1.8.7.5

Periodiek onderzoek, tussentijds onderzoek en buitengewone controles

1.8.7.5.1

De betreffende instantie moet:

  1. de identificatie uitvoeren en de overeenstemming met de documentatie controleren;
  2. de onderzoeken uitvoeren en getuige zijn van de beproevingen teneinde te controleren of aan de voorschriften wordt voldaan;
  3. rapporten over de resultaten van de onderzoeken en beproevingen afgeven, die betrekking kunnen hebben op een aantal voorwerpen; en
  4. waarborgen dat de voorgeschreven merktekens worden aangebracht.

 

1.8.7.5.2

Rapporten van de periodieke onderzoeken en beproevingen van drukhouders moeten door de aanvrager tenminste tot het volgende periodieke onderzoek worden bewaard.

Opmerking: Zie voor tanks de bepalingen voor tankdossiers in 4.3.2.1.7.

 

1.8.7.6

Toezicht op de interne inspectiedienst van de aanvrager

1.8.7.6.1

De aanvrager moet:

  1. een interne inspectiedienst inrichten met een kwaliteitssysteem voor onderzoeken en beproevingen, gedocumenteerd volgens 1.8.7.7.5 en onderworpen aan toezicht;
  2. voldoen aan de verplichtingen voortkomend uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem en waarborgen dat het bruikbaar en efficiënt blijft;
  3. opgeleid en deskundig personeel voor de interne inspectiedienst aanstellen; en
  4. voor zover van toepassing, het geregistreerde waarmerk van de onderzoeksinstantie aanbrengen.

 

1.8.7.6.2

De onderzoeksinstantie moet een eerste audit uitvoeren. Indien deze tevredenstellend verloopt, moet de onderzoeksinstantie een toestemming afgeven voor een periode die drie jaar niet overschrijdt. Er moet aan de volgende bepalingen worden voldaan:

  1. deze audit moet bevestigen dat de onderzoeken en beproevingen die op het product worden uitgevoerd in overeenstemming zijn met de voorschriften van het ADR;
  2. de onderzoeksinstantie kan de interne inspectiedienst van de aanvrager machtigen om het geregistreerde waarmerk van de onderzoeksinstantie aan te brengen op elk goedgekeurd product,
  3. de machtiging kan worden vernieuwd na een tevredenstellende audit in het laatste jaar voor de afloop daarvan. De nieuwe periode van geldigheid moet beginnen op de datum van afloop van de machtiging; en
  4. de auditoren van de onderzoeksinstantie moeten zo bekwaam zijn dat zij de beoordeling van de conformiteit van het product vallend onder het kwaliteitssysteem kunnen uitvoeren.

 

1.8.7.6.3

De onderzoeksinstantie moet gedurende de looptijd van de machtiging periodieke audits uitvoeren om te ervoor te zorgen dat de aanvrager het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast. Aan de volgende bepalingen moet zijn voldaan:

  1. ten minste twee audits moeten worden uitgevoerd in een periode van 12 maanden;
  2. het onderzoeksinstituut kan aanvullende bezoeken, opleiding, technische wijzigingen of veranderingen van het kwaliteitssysteem voorschrijven en de door de aanvrager uit te voeren onderzoeken en beproevingen beperken of verbieden;
  3. de onderzoeksinstantie moet alle wijzigingen in het kwaliteitssysteem beoordelen en beslissen of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog zal voldoen aan de voorschriften van de eerste audit, of dat een volledige herbeoordeling noodzakelijk is;
  4. de auditoren van de onderzoeksinstantie moeten zo bekwaam zijn dat zij de beoordeling van de conformiteit van het product vallend onder het kwaliteitssysteem kunnen uitvoeren; en
  5. de onderzoeksinstantie moet aan de aanvrager een rapport verschaffen van het bezoek of de audit en, indien een beproeving heeft plaatsgevonden, een beproevingsrapport.

 

1.8.7.6.4

In gevallen van het ontbreken van conformiteit met de betreffende voorschriften moet de onderzoeksinstantie waarborgen dat corrigerende maatregelen worden getroffen. Indien niet binnen een gepaste tijd corrigerende maatregelen worden getroffen, moet de onderzoeksinstantie de vergunning voor de interne inspectiedienst voor de uitvoering van haar activiteiten opschorten of intrekken. De kennisgeving van opschorting of intrekking moet worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit. Een rapport moet aan de aanvrager ter beschikking worden gesteld, waarin gedetailleerd de redenen worden aangegeven voor de beslissingen die door de onderzoeksinstantie zijn genomen.

 

1.8.7.7

Documenten

De technische documentatie moet het mogelijk maken een beoordeling van de conformiteit met de betreffende voorschriften uit te voeren.

 

1.8.7.7.1

Documenten voor de typegoedkeuring

De aanvrager moet, voor zover van toepassing, verschaffen:

  1. de lijst van normen gebruikt voor het ontwerp en de fabricage;
  2. een beschrijving van het type met inbegrip van alle varianten;
  3. de instructies overeenkomstig de desbetreffende kolom van tabel A van hoofdstuk 3.2 of voor producten met een speciale bestemming, de lijst van te vervoeren goederen;
  4. een algemene montage-tekening of -tekeningen;
  5. de gedetailleerde tekeningen, met inbegrip van de dimensies gebruikt voor de berekeningen, van het product, de bedrijfsuitrusting, de constructieve uitrusting, de kenmerking en/of etikettering, die nodig zijn om de overeenstemming te controleren;
  6. de aantekeningen, resultaten en conclusies van de berekeningen;
  7. de lijst van de bedrijfsuitrusting met de betreffende technische gegevens en informatie over de
    veiligheidsinrichtingen met inbegrip van de berekening van de afblaascapaciteit, voor zover van toepassing;
  8. de lijst van materialen voorgeschreven in de norm voor de fabricage, gebruikt voor elk deel, bestanddeel, bekleding, bedrijfsuitrusting en constructieve uitrusting en de overeenkomstige specificaties van de materialen of de overeenkomstige verklaring van overeenstemming met het ADR;
  9. de goedgekeurde kwalificatie van het proces voor permanente verbindingen;
  10. de beschrijvingen van het/de proces(sen) voor de warmtebehandeling; en
  11. de procedures, beschrijvingen en rapporten van alle betreffende beproevingen voor de typegoedkeuring en voor de fabricage opgesomd in de normen of in het ADR.

 

1.8.7.7.2

Documenten voor het toezicht op de fabricage

De aanvrager moet, voor zover van toepassing, ter beschikking stellen:

  1. de documenten opgesomd in 1.8.7.7.1;
  2. een kopie van het certificaat van typegoedkeuring;
  3. de procedures voor de fabricage met inbegrip van de procedure voor de beproeving:
  4. de dossiers over de fabricage;
  5. de goedgekeurde kwalificaties van het personeel belast met het maken van permanente verbindingen;
  6. de goedgekeurde kwalificaties van het personeel belast met niet-destructieve beproevingen;
  7. de rapporten van de destructieve en niet-destructieve beproevingen;
  8. de dossiers van de warmtebehandelingen; en
  9. de dossiers van de kalibraties.

 

1.8.7.7.3

Documenten voor het eerste onderzoek en beproevingen

De aanvrager moet, voor zover van toepassing, ter beschikking stellen:

  1. de documenten opgesomd in 1.8.7.7.1 en 1.8.7.7.2;
  2. de materiaalcertificaten van het product en van alle bestanddelen daarvan;
  3. de verklaringen van conformiteit en de materiaalcertificaten van de bedrijfsuitrusting; en
  4. een verklaring van conformiteit met inbegrip van de beschrijving van het product en alle varianten die zijn aanvaard volgens de typegoedkeuring.

 

1.8.7.7.4

Documenten voor periodieke onderzoeken, tussentijdse onderzoeken en buitengewone controles

De aanvrager moet, voor zover van toepassing, ter beschikking stellen:

  1. voor drukhouders: de documenten waarin speciale voorschriften zijn aangegeven, indien normen voor de fabricage, periodieke onderzoeken en beproevingen dit voorschrijven;
  2. voor tanks:
    1. het tankdossier; en
    2. één of meer dan één van de documenten genoemd in 1.8.7.7.1 t/m 1.8.7.7.3.

 

1.8.7.7.5

Documenten voor de beoordeling van de interne inspectiedienst

De aanvrager voor een interne inspectiedienst moet, voor zover van toepassing, de documentatie van het kwaliteitssysteem ter beschikking stellen:

  1. de organisatiestructuur en de verantwoordelijkheden;
  2. de betreffende instructies voor onderzoek en beproeving, kwaliteitscontrole, kwaliteitsborging, bedrijfsprocessen en systematische acties, waarvan gebruik gemaakt zal worden;
  3. de kwaliteitsdossiers, zoals onderzoeksrapporten, beproevingsgegevens, kalibratiegegevens en certificaten;
  4. de beoordelingen door de bedrijfsleiding teneinde het doeltreffend functioneren van het kwaliteitssysteem te waarborgen als gevolg van de audits in overeenstemming met 1.8.7.6;
  5. het proces dat beschrijft hoe aan de eisen van klanten en aan de voorschriften wordt voldaan;
  6. het proces voor de controle van documenten en de revisie daarvan;
  7. de procedures voor de behandeling van producten die niet overeenkomen met de eisen; en
  8. de opleidingsprogramma's en de kwalificatieprocedures voor het desbetreffende personeel.

 

1.8.7.8

Producten vervaardigd, goedgekeurd, onderzocht en beproefd volgens normen

Aan de voorschriften van 1.8.7.7 wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen, voor zover relevant, worden toegepast:

Subsectie en paragrafen van toepassing

Verwijzing

Titel van het document

1.8.7.7.1 t/m 1.8.7.7.4

EN 12972:2007

Tanks voor het transport van gevaarlijke stoffen - Beproeving, inspectie en merken van metalen tanks.

1.8.8

Procedures voor de conformiteitsbeoordeling van gaspatronen

Indien de conformiteit van gaspatronen wordt beoordeeld, moet één van de volgende procedures worden toegepast:

  1. de procedure in sectie 1.8.7 voor niet-UN drukhouders, met uitzondering van 1.8.7.5; of
  2. de procedure in de subsecties 1.8.8.1 t/m 1.8.8.7.

 

1.8.8.1

Algemene bepalingen

1.8.8.1.1

Het toezicht op de fabricage moet worden uitgevoerd door een Xa-instantie en de beproevingen voorgeschreven in 6.2.6 moeten ofwel worden uitgevoerd door die Xa- instantie dan wel een IS-instantie erkend door die Xa-instantie; wat betreft de definitie van Xa- en IS-instanties zie 6.2.3.6.1. De conformiteitsbeoordeling moet worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit, haar gemachtigde of een erkende onderzoeksinstantie van een Overeenkomstsluitende Partij van het ADR.

 

1.8.8.1.2

De aanvrager moet als exclusief verantwoordelijke door de toepassing van 1.8.8 de conformiteit van de gaspatronen met de bepalingen van 6.2.6 en met alle verdere bepalingen van het ADR die van toepassing zijn, aantonen, waarborgen en verklaren.

 

1.8.8.1.3

De aanvrager moet

  1. een ontwerptypeonderzoek van elk type gaspatroon uitvoeren (met inbegrip van de te gebruiken materialen en variaties van dat type, bijv. inhouden, drukken, tekeningen en afsluit- en aftapinrichtingen) overeenkomstig 1.8.8.2;
  2. gebruikmaken van een goedgekeurd kwaliteitsregiem voor ontwerp, fabricage, onderzoek en beproeving overeenkomstig 1.8.8.3;
  3. gebruikmaken van een goedgekeurd beproevingsregiem overeenkomstig 1.8.8.4 voor de beproevingen voorgeschreven in 6.2.6;
  4. de goedkeuring voor zijn kwaliteitssysteem voor toezicht op de fabricage en voor de beproeving aanvragen bij een Xa-instantie van zijn keuze van de Overeenkomstsluitende Partij; indien de aanvrager niet gevestigd is in een Overeenkomstsluitende Partij dan moet hij de aanvraag indienen bij een Xa-instantie van een Overeenkomstsluitende Partij vóór het eerste vervoer in een Overeenkomstsluitende Partij;
  5. indien de gaspatroon uiteindelijk wordt geassembleerd uit onderdelen, gefabriceerd door de aanvrager, door één of meerdere onderneming(en), schriftelijke instructies verschaffen op welke wijze de gaspatronen moeten worden geassembleerd en gevuld om te voldoen aan de bepalingen van zijn certificaat van onderzoek van het type.

 

1.8.8.1.4

Wanneer de aanvrager en de ondernemingen die gaspatronen assembleren of vullen overeenkomstig de instructies van de aanvrager, tot tevredenheid van de Xa-instantie, de overeenstemming kunnen aantonen met de bepalingen van 1.8.7.6, met uitzondering van 1.8.7.6.1 d) en 1.8.7.6.2 b), mogen zij een interne inspectiedienst inrichten die gedeeltelijk of in zijn geheel de onderzoeken en beproevingen aangegeven in 6.2.6 mag uitvoeren.

 

1.8.8.2

Onderzoek van het ontwerptype

1.8.8.2.1

De aanvrager moet de technische documentatie samenstellen voor elk type gaspatroon met inbegrip van de toegepaste technische norm(en). Indien hij ervoor kiest om een norm toe te passen waarnaar in 6.2.6 niet wordt verwezen, dan moet hij de toegepaste norm aan de documentatie toevoegen.

 

1.8.8.2.2

De aanvrager moet de technische documentatie, tezamen met monsters van dat type, ter beschikking houden van de Xa-instantie gedurende de productie gedurende een periode van ten minste vijf jaren daarna vanaf de laatste datum van productie van de gaspatronen overeenkomstig dat certificaat van onderzoek van het type.

 

1.8.8.2.3

De aanvrager moet na zorgvuldig onderzoek een certificaat van het ontwerptype afgeven dat geldig moet zijn gedurende een periode van ten hoogste tien jaren; hij moet dit certificaat toevoegen aan de documentatie. Dit certificaat geeft hem het recht om gaspatronen van dat type gedurende die periode te produceren.

 

1.8.8.2.4

Indien binnen die periode de desbetreffende technische voorschriften van het ADR (met inbegrip van
de normen waarnaar wordt verwezen) zodanig zijn veranderd dat het goedgekeurde ontwerptype niet langer daarmee overeenkomt, moet de aanvrager het certificaat van onderzoek van het type intrekken en de Xa-instantie informeren.

 

1.8.8.2.5

De aanvrager mag na zorgvuldige en volledige herziening het certificaat opnieuw afgeven voor een volgende periode van ten hoogste tien jaar.

 

1.8.8.3

Toezicht op de fabricage

1.8.8.3.1

De procedure voor het onderzoek van het ontwerptype alsmede het fabricageproces moeten zijn onderworpen aan toezicht door de Xa-instantie, teneinde te waarborgen dat het door de aanvrager gecertificeerde type en het product zoals vervaardigd in overeenstemming zijn met de bepalingen van het certificaat van het ontwerptype en de bepalingen van het ADR die van toepassing zijn. Indien 1.8.8.1.3 e) van toepassing is, moeten de ondernemingen die de gaspatronen assembleren en vullen in deze procedure zijn opgenomen.

 

1.8.8.3.2

De aanvrager moet alle noodzakelijke maatregelen treffen om te waarborgen dat het fabricageproces voldoet aan de bepalingen van het ADR die van toepassing zijn en aan zijn certificaat van het ontwerptype en de bijlagen. Indien 1.8.8.1.3 e) van toepassing is, moeten de ondernemingen die de gaspatronen assembleren en vullen in deze procedure zijn opgenomen.

 

1.8.8.3.3

De Xa-instantie moet:

  1. de conformiteit van het onderzoek van het ontwerptype van de aanvrager en de conformiteit van het type gaspatroon met de technische documentatie aangegeven in 1.8.8.2 controleren;
  2. controleren of het fabricageproces producten oplevert die overeenkomen met de voorschriften en de documentatie die daarop van toepassing zijn; indien de gaspatroon ten slotte wordt geassembleerd uit onderdelen vervaardigd door de aanvrager door één of meerdere onderneming(en), moet de Xa-instantie ook na de uiteindelijke assemblage en het vullen controleren of de gaspatronen volledig overeenstemmen met alle bepalingen die van toepassing zijn en of de instructies van de aanvrager correct worden toegepast;
  3. controleren of het personeel belast met het maken van permanente verbindingen van onderdelen en de beproevingen gekwalificeerd of toegelaten is;
  4. de resultaten van de inspectie vastleggen.

 

1.8.8.3.4

Indien de bevindingen van de Xa-instantie wijzen op het ontbreken van conformiteit met het certificaat van het ontwerptype van de aanvrager of met het fabricageproces, moet hij geschikte corrigerende maatregelen eisen of intrekking van het certificaat van de aanvrager.

 

1.8.8.4

Dichtheidsproef

1.8.8.4.1

De aanvrager en onderneming(en) die gaspatronen assembleren en vullen overeenkomstig de instructies van de aanvrager moeten:

  1. de beproevingen uitvoeren voorgeschreven in 6.2.6;
  2. beproevingsresultaten vastleggen;
  3. alleen een certificaat van conformiteit afgeven voor gaspatronen, die volledig overeenstemmen met de bepalingen van zijn onderzoek van het ontwerptype en bepalingen van het ADR die van toepassing zijn en die met goed gevolg de beproevingen voorgeschreven in 6.2.6 hebben doorstaan;
  4. de documentatie als aangegeven in 1.8.8.7 bewaren gedurende de productie en daarna gedurende een periode van ten minste vijf jaren vanaf de laatste datum van productie van de gaspatronen die tot één typegoedkeuring behoren, voor onderzoek met willekeurige tussenpozen door de Xa-instantie;
  5. een duurzaam en leesbaar merkteken aanbrengen waardoor het type gaspatroon, de aanvrager, de datum van productie of serienummer geïdentificeerd wordt; indien het merkteken als gevolg van beperkte beschikbare ruimte niet volledig kan worden aangebracht op de romp van de gaspatroon, moet hij een duurzaam identificatieplaatje met deze informatie aan de gaspatroon bevestigen of dit samen met de gaspatroon in een binnenverpakking plaatsen.

 

1.8.8.4.2

De Xa-instantie moet:

  1. de noodzakelijke onderzoeken en beproevingen met willekeurige tussenpozen uitvoeren, doch ten minste korte tijd na het begin van de productie van een type gaspatroon en daarna ten minste eenmaal elke drie jaar, teneinde te controleren of de procedure van het onderzoek van het ontwerptype van de aanvrager alsook de fabricage en de beproeving van het product worden uitgevoerd in overeenstemming met het certificaat van het ontwerptype en de desbetreffende bepalingen;
  2. de certificaten controleren die door de aanvrager worden verschaft;
  3. de beproevingen uitvoeren zoals voorgeschreven in 6.2.6 of het beproevingsprogramma en de interne inspectiedienst voor de uitvoering van de beproevingen goedkeuren.

 

1.8.8.4.3

Het certificaat moet ten minste omvatten:

  1. naam en adres van de aanvrager en, indien de uiteindelijke assemblage niet uitgevoerd wordt door de aanvrager maar door een onderneming of ondernemingen in overeenstemming met de schriftelijke instructies van de aanvrager, de naam/namen en het/de adres(sen) van deze ondernemingen;
  2. een verwijzing naar de versie van het ADR en de norm(en) gebruikt voor de fabricage en de beproevingen;
  3. het resultaat van de onderzoeken en de beproevingen;
  4. de gegevens voor kenmerking zoals voorgeschreven in 1.8.8.4.1 e).

 

1.8.8.5

Gereserveerd

 

1.8.8.6

Toezicht op de interne inspectiedienst

Indien de aanvrager of de onderneming die gaspatronen assembleert of vult een interne inspectiedienst heeft ingesteld, moeten de bepalingen van 1.8.7.6 met uitzondering van 1.8.7.6.1 d) en 1.8.7.6.2 b) worden toegepast. De onderneming die gaspatronen assembleert of vult, moet voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de aanvrager.

 

1.8.8.7

Documenten

De bepalingen van 1.8.7.7.1, 1.8.7.7.2, 1.8.7.7.3 en 1.8.7.7.5 moeten worden toegepast.

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief